Kijk, daar komt de lanteernopsteker met ’n lange stok. Floep! en er is licht. Het gas maakt de sneeuw weer anders, geel en violet in de schaduwen. Gek overigens, dat in deze grote moderne stad nog zo’n ouwerwetse lantaarnopsteker rondgaat. Hij loopt grappig gebogen, als een figuurtje uit een oude eeuw. Eddie moest zo iemand ’s schilderen, want alles is de moeite waard om te schilderen. Lode is van andere opinie, vindt stillevens niks. Alle kunst moet ’n doel hebben, ons iets leren, beter maken. Het lelijke kerkje, typische Belgische wanstijl, waar hij langs komt, is onherkenbaar mooi en teer in de afglijdende sneeuw.
Als Eddie thuis komt, is daar ’n lange, lange brief van Lode Wolff en tranen prikken den lezende in de ogen om wat hem zijn mentor schrijft. Pax, staat er boven; dan komt; Eddie! Aan ’t hoofd van elke bladzijde staat ’n kruisje, er komt veel van God in voor en ’t eindigt ongeveer aldus: „Je moet trouwens wel gemerkt hebben, dat we de laatste tijd uit elkaar zijn geraakt, of misschien ook niet. Feitelijk heb je me nooit begrepen. In ’t begin dacht ik dat hier een vriendschap tussen ons zou openbloeien, dat we elkaer zouden begrijpen, Maar je hangt met heel je hart aan de stinkende, decadentievolle boulevards. Je hoort jezelf bizonder graag, je rammelt van inconsequentie, je druipt van bew.ondering voor „grootheden” ais de grijsaard Ronde, verrader van de Vlaamse idee. Je ziet niet dat hij ’n poseur is, daar is ’t heil niet te vinden. Ik kan het niet helpen, dat je je geen Dietser voelt, al vind ik dat stom en bekrompen, maar erger is, dat je volslagen heiden zijt en geen Christen. Weet je wat dat betekent?
Ik heb dezer dagen vaak geknield gelegen voor den Christus, het enige goede, dat je gemaakt hebt. De genade is toen blijkbaar over je gekomen en je was er je niet van bewust. Knielend heb ik voor je gebeden dat je toch tot inzicht mocht komen, de techniek dienstbaar maken, maar niet de materie dienen. Dienen moeten wij den Schepper! Je kleeft aan de impressionistische maniertjes. Bevrijd je er van. Maar zolang je me met kletspraatjes blijft vervelen over ’n „jeugdliefde” en dergelijke futiliteiten, is het me niet mogelijk met je om te gaan. We moeten elkaar maar niet meer zien, tenminste ’n tijdlang. Zo veel wat je mankeert! Nooit zul je de ware kunste-
89