geven. Soms liet ze zeggen dat ze hoofdpijn had, dan weer had ze huiswerk en ten slotte hoorde ik langs allerlei zijwegen van Loven, die ’t van z’n zusje had, dat ze me vervelend vond — en zelfs...”
„Om me lachte,” kwam er niet uit, maar wel iets als ’n snik en sourdine. In Eddie resonneert het zinloos lachen van de meest geliefde, om hém. We worden allemaal verliefd op het uiterlijk, vragen ons zelfs niet af, wat er omgaat in de beminde persoon.
„En toch, de rijkdom van de eerste liefde, dat vindt men nooit en nergens terug, onze illusie sterft.” Waarachtig, Lucas veegt met zijn koude mouw langs z’n natte wang, schreeuwt dan opeens: „Laten we in godsnaam ergens ’n glas bier gaan drinken.”
Ze treden ’n kroegje binnen; het buffet is met hulst versierd. Eddie wordt gauw uitgelaten. Lode blijft ironisch kijken, maar brengt dan het gesprek op Vlaanderen en de kunst. Maar vanavond is Eddie ’t niet eens met Wolff, dat de ziel alles zou zijn, de méns belangrijker is dan de kunstenaar. Lode ergert hem, nu hij rustig door doceert: „De kunst mag geen doel zijn op zich zelf, da’s heidens. De kunst kan slechts middel zijn...”
„Je zwetst als ’n kwezel,” brult Eddie, lollig van ’t bier, „vent, aan jou is ’n zendeling verloren.” Maar ziende dat de ander is ontstemd, klopt hij hem op de schouder: „Allee, dat mag ik -je toch wel zeggen, je kunt toch wel tegen ’n pretje — jij die mijn aller-allerbeste vriend bent, dien ik vereer boven alles — boven mijn moeder zelfs...” „Overdrijf toch niet zo,” zegt Lode op ’n fijne innige manier. „Ga maar liever straks met me mee naar'de nachtmis, dat zal je geen kwaad doen, Eddie...”
Maar Lucas schudt ’t hoofd, begint weer: „En toch, ik weet ’t niet, misschien waren Charlotte en ik wel voor mekaer bestemd.., weet je nog hoe we in de winter van school kwamen en we van haar spraken...”
Lode wordt nu wrevelig; indertijd had hij dezen mallen kwast wel aangehoord, ’n beetje jaloers nog wel. In de zomer was hij langs de Stadswei naar huis gefietst en onder de kastanjes zag hij de meisjes en jongens liggen in eerste prille toenadering; het lichte en toch nerveuze lachen kwelt hem nu nog. „Je bent bepaald lachwekkend,” zegt hij hard, „heb je geen andere zorg dan die — liefde.
85