nee moeder, mij wil niemand... Greetje,..” Hoe zie geschrokken was, toen de bovenmeester haar bij de arm schudde: „D’r was ’n man, luister dan; d’r was ’s ’n vrouw, luister nou...” Fijn klonk dat alles na jaren, als de kerkklok, waarop stond: „Ik zing voor Marien.” Pastoor zijn, rustig in de koele pastorie, het ooft, de marmeren gang, de wijde galmen van het harmonium; langs de linden lopen, kruisjes geven, ’n vriendelijk woord zeggen tegen allen, rustig ver van de stad, de leugen, de intrigues, geen angst meer hebben om vermoord te worden...
Het hoofd van zijn moeder valt zachtjes voorover. Ze moet heel afgemat zijn,, deze oude. Hij staat zoetjes op, wil haar op zijn bed leggen, als ’n vader zijn kind.., maar hij kan niet; ze is zo zwaar en hij zo zwak...
Ze wordt er wakker van en lacht: „laat maar, laat maar...”
Hij dwingt haar echter, in het onopgemaakte ledikant te gaan, ze zakt er diep in weg. Daar ze gekleed is, legt hij alleen maar ’n deken over haar. Het is minder koud geworden. Hij stopt haar in, ze glimlacht lieflijk, de oude boerin, murmelt nog: „Morgen moet ik subiet terug, de herberg...”
In zijn behoefte naar tederheid streelt hij de grove rimpelhand, legt ze dan onder de groezelige moltondeken — ze slaapt. Behoedzaam staat hij'op, ziet de oude korf, de fraai rhythmisch gevlochten boerenkorf met hengsel, waarmee hij al boodschappen heeft gedaan bij den slager, den bakker — deze korven kunnen geslachten lang mee, zij zijn schoon en onverslijtbaar. Zijn hand gaat er in, hij haalt het oude kerkboek eruit vandaan; het ligt vol bidprentjes, gedachtenisprentjes ook van zijn gestorven broers. Hij bladert in het boek, maar kan niet vinden wat hij zoekt: zou er ’n gebed zijn om een ander leven, een rust, ’n eerlijk bestaan? Zou er ’n modus te vinden zijn het eigen leven te leven, zonder de vrees voor het oneigene, de Andere, de vele Anderen? Geloven zoals Moeder gelooft.. , als de pastoor, Greetje en menigeen I Vrede hebben met zijn mislukking, kan dat? Hij bladert nog steeds in het boek, maar dat is er niet in te vinden, misschien in een volledig brevier... In een van mijn kisten moet ik toch nog ’n crucifix hebben, maar ook dat is ’t niet; goed voor de eenvoudigen van geest.
180