is al goed, je bent gejond en wel... da’s de hoofdzaak...” Ze keek rond: „Je woont hier goed, maar... waarom hangt hier geen kruisje? Bij ’n braven Katholieken jongen hoort toch ’n kruisje te hangen?”
Louis vroeg haar, om van dit onderwerp af te raken, of ze geen honger had.
„Ik heb vanmorgen niets meer gebruikt,” zei ze stil.
Louis sprong op: „Goeie God, en dat zeg je nu eerst.”
Hij deed thans iets, wat hij nog nooit had gedaan. Hij ging kloppen op de gang bij een der lichtekooien, zich niet afvragend of ze geen bezoek had: .„Hebt ge niet wat brood voor me. De oude vrouw is gekomen, ze heeft de ganse dag niets gehad.”
Het klonk toonloos als het lesje van ’n bedelaar. Hij trad binnen bij de bewoonster, een bidet was ’f eerst wat hij zag. Ze was alleen, schommelde in haar broodtrommel. Er was ’n schemerlamp, er hing ’n crucifix, er hingen ook ’n paar ingelijste rosé plaatjes uit La Vie Parisienne.
„Voila, mon voisin,” zei de blondgeoxydeerde Vlaamse en gaf hem brood en hardgekookte eieren, „C’est tout et j’espère que vous viendrez, me voir encore une autre fois.”
„Certainement,” zei Louis met ’n dankbare buiging en pogend, fraai te parlevinken, „je serai éternellemment votre serviteur.” Ze lachte hoog.
Gretig eet vrouw Wolff van de leeftocht der lichte vrouw. Als ’t op is,, zucht ze: „Hèhè,” en lacht kalm en tevreden: „Ik ben maar blij, dat je leeft. Ik zal St. Job ’n maand lang met kaarsen bedenken. Maar Louis, luister ’s, je moet hier ’n kruisbeeld hebben, beloof me dat.”
„Alles beloof ik je,” zegt hij zachtzinnig en hij denkt, geroerd: St. Job, dat is dat kleine kapelleken vlak bij mijn bloemenweitje; als pastoor kom je er langs, maakt ’n kruisken voor St. Job op zijnen mesthoop, vlak bij het klaprozenweitje waar ik speelde met ’n klein zwart meisje niet blauwe oogjes; daar zat ze met witte klompjes.
„En Greetje, heb je die nog wel ’s gezien?” vraagt hij, met de ogen omlaag.
„Och Greetje... nee, nee, die heeft al kinderen, ze is toen nog ’s bij ons geweest, maar nadat je uit de mijn bent gegaan, niet meer. Och, die had jou graag gehad, dat Greetje...”
,„En dat zeg je nu pas...” Hij1 stuift bijna op. „Ach,
179