niet waarom, dat ze niet naar Antwerpen, maar naar Krefeld moest...
Ze vroeg de mensen in de coupé: „Gaat deze treitn naar Krefeld?”
„O, neen,” zeien ijverig de mensen, „hij gaat juist de andere kant op„ naar Antwerpen.”
„Justament,” zuchtte de vrouw en begon te bidden.
Het gebed zal de zielen behouden en onder het mummelen van onbegrijpelijke woorden, groeide toch weer de hoop dat zij haar zoon redden zou, haar smeekbeden konden den zieke al wat versterken; de ontstelde beenderen en het kranke ingewand zouden weer bloeien. Ook deed zij plechtige geloften om ’t kapelletje van St. Job een maand lang van kaarsen te voorzien. St. Job had ook geleden op zijn ouden dag, had al zijn kinderen dood, maar zijn geloof had ze weer in ’t leven teruggeroepen.
Bij de grens waren moeilijkheden; ze had geen een-zelvigheidskaart, wist niet wat dat was. Ze liet hulpeloos de brief lezen aan den vreemden meneer. Hij gaf hem zwijgend terug, het was wel goed. Ze bad en werd pas uit haar gebed opgeschrikt door een medereiziger. Ze had met niemand willen spreken, maar deze man riep haar, grijnzend, aan ’t raam te komen kijken: men was hier in Gheel en je kon daar de gekken zien van Gheel achter de barrière. Ze deed of ze niet begreep wat deze zonderling wilde, keek in haar gebeden, maar haar aandacht was afgeleid, ook nu de trein weer liep. De reis was eindeloos, het landschap vaal.
En dan die grote stad; ze herkende Krefeld niet en begreep toen dat ze in Antwerpen was. Ze ging met de stroom mensen mee naar de uitgang, ze was óp voor ze daar was. Het was donker geworden. Ze gaf haar kaartje en vroeg den man waar het Hopstraatje was, waar Louis ziek lag. De beambte had haast, haalde de schouders op. Een ander vroeg ze, die sprak Frans. Weer 'n ander sprak ’n taal die als Limburgs klonk, maar volkomen onbegrijpelijk was.
Ze stond voor het station in wanhoop, begon dan te lopen, uren. Het regende triest, mensen holden voorbij, niemand kende ze, niemand had de tijd om haar te woord te staan. Ze vroeg eindelijk ’n politieagent, die haar niet
176