Ze haalde de hele commode onderste boven, hoe langer hoe zenuwachtiger wordend. Ten slotte vond ze een bril; het was de oude van „Vater” zaliger, maar ze kon er toch beter mee zien dan helemaal zonder. Ze hadden tegelijk op de Zaterdagmarkt bij den kwakzalver hun brillen gekocht, puike brillen, maar deze was stoffig en aan haar rok veegde ze de glazen af.
Het was gedrukt, dat was vreemd, en Duits: „Liebe Frau Wolff...” Ze las,, trilde op haar benen, iemand, een vriend van Louis, schreef haar dat „Ihr Sobn Ludwig” ernstig ziek was, het wellicht niet lang meer maken zou.
Ze viel tegen de muur, alle hoop zolang gekoesterd, begaf haar in eens. Dan vermande ze zich, men moet iets doen als het vreselijkste over ons komt. Ze nam de sleutel van de linnenkast, haar arme linnenkast en haalde er haar spaarcenten uit. In haar korf deed ze de brief en haar kerkboek. Toen, met een rode hoofddoek om het grijze haar, een veertig-jarige mantel en ’n breedgeruite sjaal om, de korf aan haar arm, stond ze voor de meid.
„Ik moet naar Louis, hij is krank.”
De meid keek haar met domme ogen aan, schudde ’t hoofd om meewarigheid te doen blijken,, en zei: „Ocherm!”
„Blijft gij hier slapen, zorg voor de kippen, ons geitje en ons verkske.”
Het knorren van de zeug was het laatste wat ze zich van haar herberg herinnerde.
Een lijdensweg begon. Ze had wel van bussen gehoord die naar België voeren, maar in het dorp moest ze vernemen, dat voor kort de eerste vertrokken was, de volgende ging vanavond. Ze wilde lopen, maar dat ontried men haar heftig, wijl ze dan toch even laat aankwam, maar geduld tot de avond had ze niet. Een medelijdend voerman bracht haar op zijn koude, hobbelende huifkar, waar de wind ongehinderd onder door blies, naar stad.
Tegenslag aldaar, uren wachten op de Duitse trein uit Krefeld.
„Krefeld,” zuchtte ze maar. Ze was eertijds uit de buurt van Krefeld gekomen, was getrouwd, had kinderen gekregen; man was gestorven, kinderen getrouwd, er waren er gestorven; ze had kleinkinderen gekregen, daar waren er ook van dood en nu wist ze niet of haar liefste zoon al dood was of sterven ging. Ook leek het, ze wist
175