DERDE HOOFDSTUK
' AANZIET UW ZOON
Er bestaat een kwelzucht in de harten van mensen, een kwalijke wellust om andere harten te bezeren, te kneuzen. Als we daarvan lezen of er ’n vertoning van zouden zien in een theater, we zouden onze schouders ophalen, zo onwaarschijnlijk komt die lust ons voor. Het is vreemd te aanschouwen en tegen de natuur, een mens behagen te zien scheppen in de pijn van ’n ander, zonder dat hij er een redelijk voordeel uit behaalt. Evenwel, deze duistere oerdrift stijgt uit dezelfde bron, waaruit de Geschiedenis opwelt; de wrede wellust zoekt bevrediging in de veldslagen, duels, pogroms, bombardementen, als in hanenen stierengevechten, boksmatches, knokfilms en anonieme brieven.
De oude vrouw Wolff was doende de kippen achter haar huisje maïs te voeren, toen ze in de gelagkamer volk hoorde. Ze slofte haastig naar voren en zag in het donker den brievengaarder, ’n Brief van Louis! en gejaagd om hem te lezen, schonk ze den man een klare in, schonk over de rand heen, wenste werktuigelijk: frisse Morgen! om dan ijlings haar bril te gaan zoeken.
Eindelijk een brief! hij had omtrent ’n jaar niets van zich laten horen; ze vermoedde wel dat ’t hem steeds minder goed was gegaan, overal was crisis, werd gezegd. Het café was aan ’t verlopen, zij moest alles alleen doen en kon meestal niet onthouden wat sommige drinkers (tegen ’t eind van de week dronk men op crediet) haar schuldig bleven en ze jammerde tegen het meisje dat haar helpen moest: „Wat ’n elenj allewieles.”
Ze hoorde den brievendrager danken en wegstappen. Ze kon in de alteratie haar bril niet vinden, liep naar de meid: „Hier, lees ’s vlug,” en de meid, verbaasd en dom, bleef staren: „’t Is geen Hollands, geloof ik, maar buitenlands...”
Ze griste haar de brief uit de handen, het was toch al erg om een ander de beminde woorden te doen voorlezen.
174