bintenissen op aarde, liefde en verwantschap, in de hel hun zin verloren hadden, dat alle dingen die op aarde goed werden genoemd, in de hel volstrekt niets betekenden, dat de moeder met haar kind pijnlijk, en zonder respijt, branden moet; maar ze beklaagt haar kind niet, want ieder heeft teveel met zich zelf te stellen — de duivels mogen doen wat ze willen. En de zielen gillen: „Waartoe werden we geboren.”
De pater had zijn stem laten zinken en weemoedig, vreemd joviaal bijna, gewaarschuwd: „Bedenkt toch,
beminde gelovigen, overweegt wat hef zeggen wil, daar een eeuwige marteldood te lijden in de vreselijke ovens — denkt aan de moeder die gillend branden moet met haar kind, zonder te sterven. Wij hebben geen begrip van wat emufig is, zonder eind! Denkt aan de draken en vooral aan de zieke, vieze, stinkende stank... Zijt ge wel geregeld ter biecht geweest? Is daar geen ontucht in uw harten, zonder oprecht berouw? Roei ze uit, biecht u, weest boetvaardig, beminde gelovigen, opdat Jezus die goedertieren is en van een eindeloze genade, u moge vergeven, u mogen ontvangen, hier Boven...”
Ludwig is zelf op z’n Jezuietisch aan ’t spreken geslagen. Hij maakt wijde gebaren en heeft ’t warm. Opeens merkt hij, dat hij de weg kwijt is en — wat erger is — ook zijn stok! Hij moppert, na zoveel jaren, zijn trouwe stok.
Wat nu, denkt hij bijgelovig, teruggaan in die regen, in die uiterste duisternis? De weg is onvindbaar!
De practische gedachten vervloeien. Hij ziet in de duisternis het schitterende weitje,, waar ’t kleine meisje zit. De pastoor wandelt er langs. Het meisje knikt en 'zegt: „Dag pastoor Wolff.” De pastoor gaat verder langs golvende korenvelden in de warme zon; hij komt langs de vrouwen die zwijgend het blinkend lijfgoed wassen in de beek, ze buigen zich tevreden over het heldere water. Ook hij is tevreden geen pater te zijn geworden, die schokkende demonische retraitepreken moet ontwerpen, maar rustig door het mooie Limburgse landschap te kunnen wandelen waar Greetje woont.
Hij schudt wakker. Het zwarte Antwerpen! Wat is Limburg toch mooi. In deze natte straat (hoe heet ze? hij is hier vreemd) kwelt hem een zalig heimwee naar ’t dorp, waar geen politiek bestaat. Had hij toch de zin van Pastoor
171