zegt niets, betaalt natuurlijk ook niet en gaat Vera zoeken op straat. Het is er donker en doodstil, de meeste habitué’s van deze wijk hebben gister al hun pay opgemaakt.
Het warme bloed druppelt, Ludwig heeft geen zakdoek, hij huilt bijna van ellende in de natte straat, maar diep is de wonde niet. Alleen de regen maakt de hele hand klam.
Ludwig gaat naar huis... ; op de hoek rent ’n kerel tegen hem aan. „Go to heil,” schreeuwt die, ’n Engelsman, en nu pas realiseert Ludwig zich, dat hij niet bang was toen het gevreesde gebeurde: ’n man op de hoek.
„Sorry,” roept hij bijna opgeruimd den vlegel na, die weer brult: „To heil with you, damned pig!”
Mooie taal, maar niet half zo mooi als Frans: pardon monsieur, c’était pas pour vous.” Verschoning heer, dat was mijn intentie niet... Zeehane, als hij geërgerd was, sprak me aan met messire Wolff. Hier is het Willemsdok.
Opeens struikelt hij over ’n ijzeren band. Ligt verdoofd, onbewegelijk, moe van de drank. Blijft even steunen, rustig kermen, pijn gedaan, op de natte rand. Hij voelt zich warm, te warm; zijn hoofd .gloeit, het water is koel. Hij kijkt in ’t water, ziet ratten wriemelen; neel duivels zijn het, dit is de hel.
Hij gloeit; dit is ’t vuur dat geen licht geeft in de buitenste duisternis. Hij siddert en gloeit van de hitte; de duivels komen hem grijnzend en krachtig vatten. „Mee,” brullen ze, „inde eeuwige verdoemenis, in de helse stank.”
Ludwigs neusgaten openen zich, muffe lucht dringt binnen, ook iets van specerijen, maar geen stank. Er is geen hel hier, want het ergste is immers de zieke stank, waar geen aardse walgelijkheid tegenop kan...
Ludwig grinnikt even, komt langzaam overeind, zijn hels visioen is voorbij. Hij geeft ’n schop tegen het ijzer waarover hij gevallen is, ’n hoepel van ’n vat. En vloekt. Hij herinnert zich nu ’n preek over de hel, van ’n pater die zeer plastisch had verteld over die loeiende duivels en de grote fornuizen waar je met tangen in werd gedeponeerd. „En ’t bloed begon je in de aderen te zieden,” beweerde Gregorius of Anselmus.
Ludwig lacht bitter, mooie boel, eerst ’n rotzooi op aarde en dan zo’n vooruitzicht.
Het had hem bizonder gepakt te horen dat alle ver-
170