Ze gilt van plezier: „Maar zeker 1 Wat is et uwelijk; et uwelijk is een Sacrament en een overeenkomst tot voortzetting van het menselijk geslacht...”
„En wat is God... ?” vraagt somber Ludwig.
„God is een wezen van oneindige goedheid...”
„En als God zo goed is,” fluistert hij hees en onherkenbaar, terwijl zijn ogen flonkeren,” waarom moet jij dan eeuwig branden in de hel...?”
De vrouw schrikt: „Ge zijt me ene vieze!”
Ludwig staat op, werpt vijf franken op tafel, vertrekt zonder gedag, terwijl de vrouwen hem nastaren.
„Hij is zot,” zegt de patrones en gaapt.
De regen frist Ludwig op. Hij reciteert weer de tien geboden. Geen vreemde góden zult ge dienen. Komiek, hoe hij de deerne aan ’t schrikken heeft kunnen maken. Wie gelooft nou nog aan de hel? „Gij zult niet doden,” zegt hij met nadruk, alsof hij iemand waarschuwt. Hij kan nu niet begrijpen waarom hij soms zo angstig kan zijn, als hij langs ’n donke;re straat komt of ’n hoek om moet. Kwam hij nu Vera maar tegen; die schuift altijd wat geld af... God is ’n oneindig goed wezen, maar Vera is vriendelijker voor mij geweest dan God...
In alle bekende staminees gaat hij binnen, of staart om het leren voorhang, Katapeion dit en Katapeion dat, overal Grieken en Scandinaven, maar nergens Vera. In de Nas-sausfraat, in het luxueuzer Broadway, willen ze hem niet binnen laten; het licht schijnt scherp op de natte straat. De man zonder boord laat een stuk van vijf frank aan den portier zien en na deze vernederende handeling mag hij binnen. Hij kijkt naar de uitgelaten passagierende zeelui, stapt naar buiten en spuwt dan den portier voor de voeten. In een goedkoop kroegje zinkt hij doodmoe neer, maakt verwarde plannen om ’n partij te stichten, redevoeringen te houden. Ieder hangt aan zijn lippen; doodstil is het. Dat komt hem tenminste zo voor, maar de drinkers schreeuwen, trachten hem zelfs in een dispuut te betrekken. Hij hoort niet, verdiept in toekomstdromen, de wereld ligt aan zijn voeten.
De rumoerigen vertrekken. Nog maar weinigen blijven over en juist de stilte maakt hem wakker. Hij hoort: „Offreer de heren ’n biertje.”
’n Hollander geeft ’n rondje. Het kost moeite niet op te
167