Met de stroom mee

Titel
Met de stroom mee

Jaar
1946

Pagina's
194



allerlei zeldzame prullen, waar hij vroeger welwillende geringschatting voor gevoelde, arriveerden, genoemd werden als bizondere talenten. Leroy is de man, grinnikt hij, men kan ’t ook knarsetanden noemen.

Hij kijkt dus in de krant en constateert dat ’t in Holland niet veel beter gaat dan hier; dat troost weer ’s. Waar die kellner blijft? Er had ’n incident plaats gehad, toen de Koningin op ’t perron kwam; een man had zich door ’t cordon heen gewrongen en trok de Koningin aan de mouw om haar attent te maken op z’n zoontje, dat voor haar stond met ’n brief in de hand. Hij was ’n werkloze die aldus z’n nood wilde klagen; een zijner kinderen was kortelings overleden jen daar hij arm was, had men zijn kind ongevraagd op de snijkamer gebracht. Daarover klaagde hij zijn leed in de brief, waaraan ’n oranje lintje zat.

L,udwig bromt: „Oranje lintje,” en leest dan kalm verder onder stadsnieuws: „Driewieler te water.” Een oude vrouw met verlamde benen had door de ontzaglijke storm dezer dagen, het stuur van haar driewieler niet kunnen houden, was in een gracht gevlogen, later dood opgevist. De tragi-comische manier waarop het macaber bericht door den krantenman is opgesteld, doet Ludwig even grijnzen; dan gluurt hij ongerust rond, hij voelt dat men de aandacht op hem vestigt. Hij staat op, bonst tegen den aansnellenden kellner: „Meen je nondedju, dat ik tot morgen op je wacht,” gromt hij kwaad. De ander haalt de schouders op. Rinkelend gooit Ludwig de deur van de warme gezelligheid achter zich dicht.

Onbewust slentert hij nu toch de Meir af. Er wandelt veel volk, ondanks de traag siepelende regen, maar niemand kent hij. Bij de Schoenmarkt weifelt hij of hij de kapel van Altijddurende Aanbidding niet even zou binnen gaan. Hij schudt wrevelig het hoofd, slaat met zijn oude, gekneusde stok tegen het trottoir. Er is een andere tijd gekomen, met ’t Christendom is ’t gedaan, dat heb ik in Keulen gezien. Al wat ik geleerd heb, geldt niet meer. Hij begint de tien geboden te reciteren; dan de vijf geboden der kerk: Geen geboden vastendagen zult gij breken; tenminste eens in ’t jaar zult gij uwe biecht spreken... Hij lacht luid, zodat de mensen kijken. Daar was ie nou helemaal overheen. Biechten-jazeker-bij ’n pastoor; ’n zot als Mestroms, die niets wist van ’t Teven zoals dat h,ier geschiedde.

163

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.