baasd naar den vervallen artist, die met hese stem een onsamenhangende monoloog afstak.
Ik ben toch niet te beroerd om te werken, zegt Lud-wig verdrietig tegen het valse eerste licht, dat hij in 1936 aanschouwt en legt zich weer terusten. Ontwaakt tegen de avondschemering van het rumoer der lichtekooien in de aangrenzende vertrekken, heft zich op naar de spiegel: weer ziet zijn verwaarloosd masker hem aan, maar nu schrikt hij, hij ziet een ander dan Ludwig. Het is wonderlijk hoe zijn donkere kop op die van een Jood is gaan lijken, men hield hem soms voor een Jood de laatste tijd en dat vermindert zijn hekel zeker niet. Ik moet er ’s uit, ik word gek van dat alleen-zijn.
Maar aan de andere kant waagt hij niet, zich aan de gevaren bloot te stellen, die het avondlijk schipperskwartier biedt: een dolkstoot, een schot... Onheilspellend resoneert het schieten van hedennacht, de gillende sirenes, het woedend misbaar.
Als hij het raam weer opent, komt hem de gure lucht tegemoet; maar toch, het verfrist zijn kamer-warme lijf, dat juist uit het dagenlang niet-opgemaakte bed komt. Het regent, dat stemt verdrietig. Hoeveel jaren is hij nu al van plan overschoenen te kopen en die sjofele jas, die kaal gesleten is, waar geen draad wol meer op zit, te vervangen, evenals zijn vette artisten-hoed, die de schrijfmachine-heren wel zal hebben ontsteld. Met zo’n hoed op, hoort men met schilderstukjes te leuren. Ik moest dus met heilige polychromen rondgaan, met de aanbeveling van een paar pastoors; zou misschien wel gaan. Ach, pastoors, die hebben het goed. Vredig temidden van hun gelovigen. Beminde gelovigen, wat zal dit jaar ons brengen, oorlog, honger... Wellicht de Anti-Christ; velen maken zich op om saam met den vijand tegen Christus te strijden... Ik moest m’n moeder in elk geval zalig Nieuwjaar wensen. Of voorgoed terug gaan...
Nijdig rukt hij de oude jas uit een kast. Verdomme, er zijn geen kolen meer. Dondert niet, als hij op sjouw gaat, behoeft de kachel niet aan, spaart kolen. Hij zet zijn kraag op en sluit hem met de veiligheidsspeld; hij heeft er onder niets behoorlijks aan. Hij pakt de stok, laat de deur op een kier voor de kat. Likt me morgen toch weer. Snel daalt hij de trappen af. De vrouwen slapen nu. Even langs
Met de stroom mee. 11a
161