geen vrouw meer in mijn armen gehad. Mijn handen trillen. Ben ik al oud? Hij rekt zich even voor de spiegel, die hij nu inplaats van het portret van Hitler heeft gehangen. Dat staat nu in de kast, is hier niet te verpatsen. De vrouw had nog een oude spiegel, waarin hij weer gezichten gaat trekken. Hij trekt Koning-Lear-snuit, oud geworden, grove trekken. Toch heb ik nog chance, maar rimpels bij de mond, kraaiepoten bij de slapen, grijzig. Hij neemt een zwaar boek uit de kast. Poes Greet, die van zijn schoot gesprongen is, wipt er weer op, gaat allengs zoetjes ronken. Lode schenkt zich in. De cognac vervult hem met een zalig en wijd gevoel om de wereld in te gaan, te zingen met een vrouw aan de arm; te vagebonderen, arm en rijk te zijn... Hij leest in Polydoor Ronde. Men leest zijn eigen leven in deze levens-zatte verzen van hem, die het alom gezocht heeft en nergens vond. Gelijk wjj allen. En dan leest hij de woorden „lapis lazuli”. Ah, Judy had een ring; een antieke zetting sloot om een lapis lazuli, grauwblauw, een vreemde steen met lichte vlekken. En nu herinnert alles aan Judy: „Wang” (zacht dons!). „Mond”, èlles. Was dat liefde geweest of zucht om te kwellen alleen; om de zachte te kwellen. Hij drinkt, streelt zwaarmoedig de kat. Het is lekker warm en veilig hier, buiten vervult hem de angst. Tegen twaalf uur kan hij zich niet weerhouden de ramen te openen, te horen schieten, het loeien op de Schelde, dat een kwartier aanhoudt; alle klokken en oude beiaarden beieren en luiden. Hij pakt de poot van de kat en zegt: „Heil en zegen en een betere gezondheid” en lacht even om zijn eigen humor. Greet heeft geen last meer van de nieren nu ze geen scherpe kost meer krijgt.
Hij is moe van het drinken, valt met de kat op de borst in slaap op zijn bed. Droomt, van een klein weitje met korenbloemen en rode klaver, boterbloemen en klaprozen en daar zit een klein, zwart meisje met witte klompjes. Ze heeft blauwe ogen, die, als bij een pop, op en neer gaan en zeggen: „Dag Louis”. Maar hij heeft haast om in het Cen-tury Hotel te komen, waar hij spreekt bij het diner, zeer bewonderd wordt. Midden onder zijn betoog sluipt een kat de deur binnen, hij wijst op haar, zegt iets geestigs aan haar adres, men lacht luid, maar dan is hij de draad kwijt. De kat miauwt jankerig.
Tegen de morgen is de kat van zijn borst gesprongen.
159