niet bij zich houden. Die was ontstellend geel. Hij ermee naar de dierenkliniek, moest lang wachten tussen allerlei arm volk, dat met honden en katten was opgekomen. De zieke beesten, anders mekaars vijanden, keken nu elkaar als berustende mede-patienten aan. Er was geen blaffen, alleen gekreun en het praten van de mensen over hun kwaaltjes.
Hier zit ik nu, dacht Ludwig, tussen gespuis, dat niet weet wie ik ben; ik ben méér en anders. Later kwam ook nog een oude heer, die in het Duits groette, met een hondje. Hij zei eerst niets, maar toen Ludwig vriendelijk van zijn kat begon te vertellen, raakten ze aan de praat. Het bleek een politieke vluchteling; op zijn zieke hondje wijzend, zeide hij: „Auch ein Emigrant.”
Het was of sommige dieren wisten, dat ze moesten worden afgemaakt; ze deden nerveus en jankten zacht bij tussenpozen.
Ludwig en Greet waren bij de-laatsten. De wachtkamer was donker geworden. Dan in het licht bij den dokter. Groot, dik, ruw; een slager in zijn witte jas. Hij luisterde ternauwernood, voelde aan de buik: „De nieren”, zei hij. „Ingewanden verzakt. Zullen het uit zijn lijden helpen. Zuster,” riep hij en wilde het beest vastbinden op een tafel.
„Nee, dokter, geef maar medicijn, het beest is niet zo ziek.”
De slager haalde zijn schouders op. „Drie maal daags,” zei hij, „geen gekruid vlees, melk met brood, groente—”
Het was een angstige terugtocht met het beest in zijn actetas, de kop eruit, maar hij dacht niet aan Greet, alleen aan de moordenaars, die op hem loerden om elke hoek; aan Schwülsfein vooral, dien hij voor zijn gevaarlijksten vijand hield. Hij ademde pas rustiger toen hij thuis was.
Het beest was akelig om te zien nu hij wist, wat het betekende, dat de buik hing. Was het niet beter om het te laten afmaken?
Voorzichtig legde hij zijn nieuwe en laatste kameraad op het bed en opdat het beest geen last zou hebben van het licht, bond hij aan de spijlen voor het ledikant een deken. Telkens als hij door een reet van de deken keek, zag hij de blik van de zieke kat star op hem gericht; soms streelde hij even of krabde onder de kop en het beestje
155