de emigranten of de socialisten, die hem wilden vermoorden. Toevallig was ie er achter gekomen. „Ik ben verdomd blij, dat jij gekomen kent, anders was ik niet naar huis gegaan vóór de morgen.”
Opeens begon hij over het diner in Century. Dat was toch grandioos geweest; hij leefde er nog op...”, zei hij grijnzend. „Jij, Lucas, bent m’n beste, m’n enige kameraad geweest.” Hij werd even sentimenteel. Ik denk, ik geef hem straks een paar francs. „Die Schwülstein vertrouw ik eigenlijk maar half, soms ben ik een beetje bang voor den vent.”
Wolff woonde boven een kavitje achter de Minderbroe-derrui; we stijgen een smerige trap op, een vrouw, een aardige lichtekooi, wipt de trap af, men zegt mekaar geen goeiendag. Ik denk, dadelijk zal ik mijn Christus boven de schoorsteen vinden. Ach, mijne heren, zijn kamer — hiér is hef aangenaam — een muffe lucht; dan zien we om ons heen. Geen Christus met een bidstoeltje er voor, maar A. Hitler, mijne heren, neemt de ereplaats in.
„Heb jij dat schilderstuk van mij niet meer, dat had ik nog eens graag gezien.”
Hij doet verlegen, heeft het te gelde gemaakt. De armoe, je begrijpt. „Het Rijk van Christus is voorbij,” murmelt hij. „Een nieuwe wereld is in wording.”
En inplaats van mijn Christus hangt daar een Führer; Ludwig, zijn ridder, zeer in verval, staart met zijn drin-kersogen naar de grond en leunt op mijn*oude stok. Dat is onze Louis, mijne heren, met zijn geavanceerde ideeën. Dat is het eind van de purperen opstandige jeugddroom; onze wereld-bestormer is een verstokte reactie-slaaf geworden...
O ja, dit nog. Schwülstein had hem aangezet om in de Sarma, waar wel ’s arme Joden eten, met dezen kennis te maken en ze uit te horen. Hij zou zich als Jood voordoen. En toen Ludwig werkelijk óp was van ellende, ging hij trillend, moe van de spot van den S.A.-man, in dat grote eethuis, waar honderden aan geschrobde tafels zitten. Hij viel direct ergens neer; in een glazen uitstalkast hingen vijf geslachte zwijnen. Om moed te krijgen, bestelde hij een goedkope fles Rijnwijn bij zijn eten; kort daarna nam schuin tegenover hem een jonge Jood, vervallen en hongerig, met grote bruine hondenogen, plaats.
151