Schwülstein — maar het is een geheim hoor! Dat’s de beste kerel van de wereld en wie wat tegen hem heeft, krijgt met mij te doen. Hij is S.A. man, ik weet niet of je dat wat zegt. Hij heeft moeilijkheden gehad, omdat hij te eerlijk was en is toen naar het buitenland gegaan. Ze hebben hem teruggeroepen en den vent, op wien hij iets aangemerkt had, gevangen gezet. Maar Schwül blijft hier arbeiden voor het Vaderland. Het was heroiek, zich voor het Vaderland op te offeren; als er ooit wat van deze rotte beschaving terecht komt, dan is dat omdat Duitsland het heft in handen neemt. Am deutschen Wesen wird die Welt genesen. Weg met Van der Velde, mannekenpis-circocis, die vuile Marxist; weg met zijn neef (want dat gespuis is allemaal familie), den kapitalist Presburg. Ondanks de banbliksems van het demo-liberalisme en de Joodse Plutocratie zal het Vlaamse volk eindelijk tot het Duitse Rijk „heimkehren”.
Ik amuseerde me best en trok met hem naar z’n huis, waar hij betere koffie wilde zetten. Onderweg zei ik: „Maar kerel, als jij zoveel voor je Vaderland doet, dan begrijp ik niet, dat je er niet beter van leeft.”
Ludwig spreekt, met een edelmoedige zwaai van mijn stok, de raadselachtige woorden: „Dat zou ik kunnen, doch in mensen handelen doe ik niet; maar Schwülstein, die leeft er van.”
Die scheen er zijn werk van te maken met belangrijke emigranten in kennis te komen en dan zei-die: „Ach wie liebenswürdig von Ihnen... Aber beruhigen Sie sich doch.” Ludwig deed hem uitnemend na met z’n duizend Bücklin-gen. Die meneer Schwülstein spoorde Deviezensmokkelaars, Joden en politiek-gevaarlijken op en wist ze soms met een zoet lijntje in Duitsland over te leveren. Ludwig vertelde me nog iets, zeer in het vage, van handel in opium, misschien enkel om interessant te lijken, want van zoiets hou je toch wat over; en ook, dat ie gepooierd had, maar niettegenstaande de meid hem niet wilde laten gaan, had ie er de brui aan gegeven. „Nee, da’s niks voor mij, om van een vrouw te leven! Als ik m’n eer verlies, ben ik alles kwijt, wat jij.” Intussen loerde Ludwig angstig om iedere „Wat heb je toch,” vroeg ik.
En toen met een bijna huilerige stem: die Schwülstein had hem gewaarschuwd, dat Ludwig vijanden had, onder
150