den, klappen op de maat en stampen op de grond. Hoe weerzinwekkend dronken kerels zijn als ze hossen, deze dansende Hellenen verrukken mij uitermate...”
De anderen bogen zich bewonderend over de foto van Schone Paula en vroegen zich af, hoe dit alles in verband staat met ’t uitgangspunt.
„Spaar ons nou verder je couleur locale, en vertel ons eindelijk ’s van Wolff,” opperde Loven.
„Was ik net van plan. Goed, ik liep dan met m’n ziel onder de arm en besloot de Nassaustraat in te gaan, niet wijl ik deze Thorbeckeplein-sfeer zo waardeer, maar eenvoudig omdat ik moe was van ’t voortdurend staan in die zeemanskroegen, waar ik toch geen contact vond. Zo kwam ik in Lille Norge. Ik zit in dit kleine café’tje en daar komt iemand op mij toe, met ’n oude stok, die mijn eigendom eenmaal was, vooruitgestoken, koortsige ogen en wilde vettige haren. Dat was onze oude wederzijdse kameraad Louis.
„Wie gehts?” riep die.
Z’n stem was helemaal veranderd; vroeger zong ie zelfs in de kerk, had ’n heel aangenaam geluid.
Ik was content hem te zien; de eenzaamheid begon me te hinderen en ik deinsde er voor terug het gezelschap van een vreemde vrouw te aanvaarden. Ze waren trouwens, met uitzondering van de blanke schoonheid achter het karmozijnen gordijn, allemaal onsympathiek. Ik stak dus Louis verheugd de hand toe. Maar je weet, hoe ’t gaat, als ouwe kennissen na jaren elkander weerzien. We wisten in het begin niet veel te zeggen en dronken mekaar haastig toe. Louis zoop enorm, hij lustte vroeger ook wel een slokje, maar deze hoeveelheden overschreden het geloof-waardigde. Ik betaalde. Het zat er vol met Noren, aardige, frisse jongelui, die echter al bizonder libertijns huishielden met de afzichtelijke havendeernen. Ja, Loven, hoor eens hier, het is mij niet om goedkope Baedeker-anecdoten te doen, maar om de entourage van onzen held nauwkeurig te schilderen. De held in kwestie kwam in de stemming. Hij ging prachtige verzen zeggen van Van de Woestijne, terwijl hij met hete ogen op de vrouw-kens wees:
147