opslag è la Cyrano. Ik twijfelde toen weer: meent ie ’t of niet? Hij speelde soms zo zeer toneel, dat ik ’t zelf niet meer wist. En toch ben ik overtuigd, dat, als hij alléén de Adoration Perpétuelle in de Rue Neuve passeerde, hij gewoon doorliep, maar met mij was ’t altijd „Even de Finisterre in.” Ik heb toch wel meegemaakt dat ie in ’n hoerekast ’n Hollandsen student, protestant n.b., trachtte te bekeren. Hij voorspelde met prachtige gebaren de komst van den Antichrist binnen ’t jaar en ried den Hollander met zalvende stem, zich haasfiglijk voor Satan uit de voeten te maken en in de ware kerk zijn toevlucht te zoeken. In zo’n kast had hij het hravour van ’n provinciaal, die weet hoe je met de meiden moet omgaan. Hij was over ’t algemeen niet erg verlegen met vrouwen. Hij deed ruw, hard, maar ik geloof ook dat de vent nooit echt verliefd is geweest. D’r was ook ’n Jodinnetje — moest ook bekeerd worden — ze was ’n zoekster - of zo iets — schreef ie me. In die tijd poseerde men graag als „zoeker”. Ik moet jullie straks zo’n brief ’s voorlezen. Steevast begint ’t met ’n kruis erboven en je vriend in Xo eronder. Ik dee, in die nadagen van het expressionisme en het verdiept religieus bewustzijn, natuurlijk ook aan kerkelijke kunst. Ik maakte ’n Christus en gaf die aan Louis of Lode, zoals hij toen nog heette. Laat ik nou bij hem thuis komen en hem geknield voor dat prul zien liggen! Ik had toen nog geen idee van schilderen, maar ’t moest Christus voorstellen en hij had er ’n priedieu voor gekocht van rood fluweel...
Da’s éen kant van den man, nu de andere. Soms kon je je met hem amuseren, en op de planken was hij verdienstelijk, daar gaat niets af. Hij had ’n speciaal talent voor pathologische gevallen, voor dronkaards, hoogmoedswaan-zinnigen. Desondanks is hij er niet jgekomen, terwijl veel minder begaafden nu op ’t eerste plan resideren.” (Bij deze woorden keek Lucas strak Loven aan.) „In dat boar-ding house op dé Avenue Louise, waar ik woonde, had je verschillende ateliers. D’r woonde ook ’n schatrijke jongen uit Rotterdam, Schouten, die zich verbeeldde te kunnen beeldhouwen. Lode toont belangstelling voor hem, praat den dommen snob geweldig naar de mond, wat erger is, hij prijst zijn boetseerwerk; ge hebt ’n diep natuurtalent, zegt hij. En de Hollander betaalt ons bier, onze diners. Dan komt er climax in Lode’s beweringen omtrent Schou-
142