Met de stroom mee

Titel
Met de stroom mee

Jaar
1946

Pagina's
194



’n paar honderd loten zou zien te verkopen aan zijn invloedrijke en gegoede kennissen, die hij bij bosjes telde in België. Pastoor en de armen wachten nog op de afrekening 1 Onze grapjas haalde blijkbaar de centen op voor eigen zak; hij heeft niets meer van zich laten horen. Toen ik verleden jaar den bedaagden vriend-van-hgt-kind tegen kwam, vertelde hij me de toedracht. „Ik moet ’t toch iemand zeggen,” zei die, „want die arme oude vrouw wil ik bekommernis sparen”. Ik hield me goed, maar ik moest er om lachen. Die ouwe Mestroms heeft niets geleerd en alles vergeten... Ze zal hem ook wel met opgetogen gezicht Guido Gezelle hebben voorgedragen en hem gezegd hebben dat ’t van Louis was, haar braven zoon Louis...”

„Er is dus niet veel van Wolff terechtgekomen?”

„Dat is te zeggen, hij staat in buitenlandse geheime dienst,” lachte Lucas en nu volgde een omstandig verhaal. „Ik ben laatst in Antwerpen in een nachtlokaal den door ons allen zo vereerden Lode tegengekomen. Laat ik jullie ordelijk verslag doen van mijn wederwaardigheden. Wie zich Louis herinnert, weet hoeveel we ons allen van hem hebben voorgesteld. Hij leek met de moderne kunst niet slecht op de hoogte en het is niet overdreven, als ik beweer, dat ik in hem mijn mentor zag en later in Brussel, jaren na ’t gym, was ik stellig van zijn toekomstige grootheid overtuigd. Hij daarentegen vond mijn arbeid onbelangrijk; hij hoonde mijn streepsgewijze constructivisme met ’t woord Streepjeslisme. Trouwens de meesten van jullie hebben me uitgelachen,” (’n protesterend gebrom ging op) „behalve Marius en die heeft er geen verstand van. Louis was ’n comediant, ook in het dagelijkse leven. Hij deed zich voor als zeer devoot. In ’t begin geloofde ik daarin. Maar toen we eens in de St. Gudule waren en hij ’n kaarsje kopen ging en dat plechtig onder ’t gemum-mel van gebeden op ’t altaar ontstak — ik weet niet ten behoeve van welke zondige ziel — rolde ik om van de lach. Ik meende trouwens, dat hij ’t ook niet menens gedaan had. Op ’n bank lag een enorme pastoorshoed. Ik pakte hem en ging naar Wolff toe om hem dat ding op te zetten; ik proestte in de zeer lege kerk, waar trouwens vrouwen aan ’t poetsen en aan ’t zingen waren, maar hij gooide zijn borst en buik vooruit en bliksemde me neer met z’n oog-

141

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.