causeren vrij bezwaarlijk vallen zou. Hij was expres laat gekomen, bijna te laat.
Het leek eerst ’n stijve bedoening, maar alles werd drinkendeweg levendiger. De burgemeester, dien Lode gister opzij had geduwd, sprak zeer beminnelijk. Ook de gezant speechte en ten slotte nam zelfs Lode, die moed had geput uit de wijn, ’t woord en prees Lucas als oud kameraad en als kunstenaar in warme bewoordingen.
Toen er gedanst werd, was Lode al zo ver, dat hij bij verschillende hem invloedrijk voorkomende personen pogingen deed hen voor zijn filmplannen te interesseren.
Het was hét diner van zijn leven. Hoewel hij allerlei kleine vernederingen moest ondergaan, b.v. de onvermijdelijke Zeehane, die alle grootheden tutoyeerde en dus ook hier rondliep, zijn hoog geluid doend wedijveren met ’t vrolijk gegil van Lucas, de grote Zeehane wilde Lode niet kennen.
Met wien Lode ook nadien omging, allen moesten horen van het souper, waar hij laatst geweest was, met ongelogen zoveel gerechten. Hij citeerde de namen der tafelgenoten en het volledige menu, niettegenstaande hij te nerveus was geweest om ’t zich te laten smaken; en hij klakte met de tong als hij de wijnen noemde...
138