opwekt lid te worden van het Sportverband. Echt wat voor mij! Er wordt ook gewaagd van de gezellige avonden hier bij de Deutsche Verein — dat is misschien wat, hij zou er kunnen voordragen; is nog zo slecht niet.
In het blaadje staat ook nog dat Antwerpen ’n Jodenstad is waar de bloedzuigers komen sjacheren en woekeren, maar dat interesseert hem voorlopig minder. Geld
hij moet geld hebben voor ’n smoking allereerst; zijn oude heeft hij voor jaren in Brussel beleend, zou hem nu trouwens toch te wijd zijn. N.B.! dat consulaat vraagt hem op ’n apart blaadje om bijdragen voor de Winterhilfe, (of de winter nog niet voorbij is). Ze zijn er als de kippen bij.
Het lukt hem de dag daarop, het vroege schilderstuk van Ed. Lucas te verkopen voor 800 franken, want gelijk te voorzien was, zijn de kranten vol opgewonden lof over de kwaliteiten van dezen schilder. Lode laat zich goed scheren, maar de lange haren slechts bijknippen. Hij huurt vervolgens ’n smoking en koopt een gesteven hemd.
Toen hij ’s avonds het Century Hotel naderde, werd hij vol schrik gewaar, dat daar een menigte mensen zich geposteerd had om de gasten te aanschouwen wier wagens voorreden. De politie hield een strook open van ’t trottoir.
Lode durfde niet verder; hij had zelfs geen taxi genomen, kwam te voet. Hij had nu plankenkoorts als eens bij Ronde, maar hij deed zich geweld aan en wrong zich door de haag heen. ’n Agent wilde hem tegenhouden, zag dan z’n witte das, salueerde.
Lode hoorde de mensen vragen: „Wie is dat nou?” en hoewel niemand antwoordde: „Da’s Lode Wolff,” en de vraag zelf half schertsend geklonken had, maakte ze hem trots. Hij wierp het hoofd in de nek, ook hij was een prominent persoon.
Toen hij hoed, jas en stok afgelegd had en de verblindende zaal binnen moest, ontgleed hem zijn zekerheid opnieuw. Spoedig kwam ’n chef de réception op hem toe en wees hem z’n plaats. Daar kwam hij te zitten tussen een officiersechtgenote, die enkel boezem was, en ’n lange, slanke indolente vrouw, geheel in ’t violet; ze leek wel levensmoe, zo kwijnde ze. In het haar droeg ze liefst twee ook violette orchideeën. Nee, op z’n gemak voelde Lode zich niet, ver van Lucas en tussen twee vreemde vrouwen, wier namen hij niet goed had verstaan en met welke het
137