zeker tegen m’n pet tikken. Dat leeft maar vrolijk en wij, de Wolffs, wij zijn vervloekt, behalve neef Otto misschien.
Dan blikt hij naar beneden. Daar ligt wat verspreide correspondentie. Hij bukt zich, ziet ’t nu pas liggen. Drukwerk voor ’t merendeel, zeker onder de deur geschoven. Hij is benieuwd, trekt z’n hoed af, gooit hem op ’t ongespreide bed. ’t Eerste is ’n gestencild stuk „An die Aus-landdeutschen”. Hij gooit ’t verachtelijk op zij, wat moet hij daarmee? Er is ’n brief uit Limburg, ’n dikke! van pastoor Mestroms. Hij begint ijverig te lezen. Er zijn ’n bende loten bij, wat is dat? ’n Teleurstelling! Daar staat z’n kop nog al naar, voor ’n liefdadig doel te werken, voor de armen van Limburg. Ben ik dan geen arme?
Christus, was ik maar pastoor geworden, dan woonde ik nu geriefelijk in ’n pastorie, at lekker wildgebraad, zoals Knoups. Heb ik dan niet genoeg gehad vanavond? Ranzige friet! Ach wat, geef niet om eten immers, of tóch? Geld, Gód, geld! ’k Zal nog ’s naar de weduwe Ronde gaan. Die weet toch niet wat ik over haar man zei. Den brutale behoort de halve wereld.
Nur der Lump is bescheiden, nicht der — zijn oog valt op de brochure nicht der Auslanddeutsche. Bescheiden-heit ist eine Zier, doch weiter kommt man ohne ihr. Hij spreekt verdomd goed Duits. Er is ’n boek dat hij in Brussel begonnen was om beter Frans te leren, hoe heette ’t: Une vie manquée.
Ik moet iets doen, beginnen met dien Christus te verpatsen.
Dan een angstig omkijken, hij meent dat er iemand in de deur staat.
Hij verdiept zich in de talrijke circulaires en formulieren, die hem blijkbaar door het Duitse Consulaat zijn toegezonden. Het is waar ook, hij is Duitser! Ze hebben zich nooit Hollander laten maken thuis, en da’s achteraf gezien nog zo kwaad niet, want vader heeft ’t goed gezien: Deutschland wird wieder mal hochkommen!
Hoe die snuiters dat uitzoeken dat hij nog Duitser is. Zouden ze z’n broers ook al dat fraais sturen? Voor ’t eerst voelt hij zich wel ’n beetje trots tot dat grote volk te behoren. Heel de wereld is bang voor die kerels! Als hij nou maar niet behoeft te dienen. Een krantje is er, dat Heimatruf heet en dan is er nqg ’n blaadje bij, dat hem
136