Met de stroom mee

Titel
Met de stroom mee

Jaar
1946

Pagina's
194



diger hier dan hij zich zo even nog voorstelde. Wat in Brussel mooi was, goed geconserveerd namaakantiek, bij ’n uitdrager opgedaan naar advies van Judy, ziet hier vaal, vervallen. Die meubels hebben ook heel wat meege-maakt.

Alles is — mislukt, stelt hij vast, terwijl hij op zijn stok leunend op de drempel van zijn kamer blijft dralen, alsof er toch iemand zit. Alles is anders gelopen! Zijn oude loden jas voelt vochtig van de avondnevel. Hij moet noodzakelijk ’n nieuwe hebben, ’n lichte regenjas, filmisch, ’n kokette bruiné hoed, zoals rechter Pietje; van zijn hoed is de rand doorgezweet.

Daar hangt de Christus van Lucas; als ik die op ’t ogenblik verpats, krijg ik er misschien flink wat voor. ’t Is nu de rechte tijd, als morgen de kritieken komen, de goeie — die ik nooit gehad heb. Een zucht, zijn borst piept. Teveel gerookt, teveel gedronken daar in dat Leuven bij Moeder in den Bel. Hij steunt nog steeds op de oude stok, van Lucas gekregen indertijd, toen het leven beloofde.

Christus, ik geloof niet; maar toch, vergeef me dat ik zo gek met je heb gedaan.

Het is koud hier en ongezellig. Over Limburg hangt nu de avondnevel of misschien is er weer zo’n ijselijke kou als toen in het voorjaar, snijdende stormwind over de Maas. Ik kon niet naar school, alles bevroor weer, ook de Maas. Daarna de sneeuw; lief was dat. Je zag alleen nog de paaltjes zwart langs de weien en de bomen, fijn en triest, drie hier, zeven daar; ’n dak van ’n wit huis, dat nu opeens vuilgrijs was, en violet als de zon doorkwam. Toen kwam de lente, de weien met de meizoentjes, madeliefjes; de meisjes maakten kleine kransjes, ’n Kleurig veldje met ’n paar korenaren, klaprozen, rode klaver, korenbloemen, maar ’t was heel anders dan Lucas schildert. Wat dat volk daar aan vindt? Boerenbedrog, de moderne kunst, ’n Klaprozenweitje, en ’n klein boerenmeisje zit daar midden in met witte klompjes. Ik moet toch ’s ’n dag naar buiten, altijd de stad da’s niks. Ik verlang naar ’t landelijke, naar Limburg; maar gedorie, daar hield ik ’t vast niet uit, saai, eentonig, vooral in de winter met dat geroddel. Zo’n weitje is alleen mooi uit de verte. Stel je voor, dat zo’n Piet, zo’n malle rechter, zo’n begenadigde, grijnzend op z’n knol komt aangedraafd: moet ik

135

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.