later dat dit de burgemee:"e.* van Antwerpen is; hij neemt zijn hoed in de hand, bulji zegt: „Meneer Lucas, ik ben wèg van uw werk.”
Eerst begrijpt de ccngcsprokene niet goed wat het individu voor heeft. Dan roept hij: „Potverdomme Wolff, nu zie ik ’t, je bent er ook niet mooier op geworden. Hoe gaat ’t ouwe jongen. Maar je moet me verdikke niet met meneer aanspreken, ik ben wérkelijk blij je ’s te zien; ik zou je best zo ’s willen schilderen, met dat haar zo langs je kop...”
Lucas praat en praat en dat doet iemand goed. Ten slotte inviteert hij hem morgennamiddag op een groot diner in Hotel Century... Lode had liever direct ’s goed gegeten, nu zit er niets anders op dan ergens wat warms naar binnen te slaan, terwijl hij een oude krant van het Dinaso bekijkt: dan proef je niet hoe slecht ’t eten hier is. Hij leest over de Poolse joden en de concurrentie die ze de marktkooplui aandoen. Om de vetsmaak te verdrijven drinkt hij nog ’n paar glazen bier.
Middelerwijl is het donker geworden. Onzeker is de gang van Lode. Hij weet niet meer goed waar hij ergens woont, maar als vanzelf voert zijn weg naar de Hopstraat. Hij woont aan de achterkant van ’n kleine kroeg, ’s Nachts kan men geen oog dicht doen; tegenover zijn deur, naast hem, boven hem, komen vrouwen met hun klanten. Het best slaapt men in de vroege ochtend.
Hij heeft anders ’n gezellige kamer, dat dient gezegd, met allerlei „pimpante” zaken, uit Brussel meegevoerd. Maar nu is hij bevreesd: stel je voor, dat er al ’n ander woont omdat hij z’n huur niet heeft voldaan — maar nee, de patrones is hem genegen — of dat er ’n brief ligt, ’n oud telegram, dat zijn moeder...
Als hij langzaam de onheilspellende trap opklimt, weet hij zéker dat daar iemand is, dat hij zelf daar zit, aan tafel. Zijn kaken wijken in ontzetting van elkaar, maar om zijn angst te breken gaat hij hardop praten: „Ik moest me ’s biechten,” zegt hij traag, terwijl hij zijn sleutel in het slot steekt, snel de deur open trekt en ogenblikkelijk het licht opdraait...
Niemand; ’n muffe lucht, naargeestig. Hij blijft stokstijf bij de deur staan; hij denkt altijd dat er iemand zit, maar er is nooit iemand in zijn kamer. Het is toch armoe-
134