is, besluit hij het toch niet bepaald mooi te vinden. Het doet ook denken aan de woeste zee bij Ronde in de hal, maar minder heftig en groots, te zeer illustratief, te zeer detaillerend.
Inmiddels laat de opening op zich wachten. Onder de aanwezigen herkent hij allerlei personen uit Limburg, die waarachtig overgekomen zijn voor de expositie van Lucas, maar ze kennen hem niet of willen Lode niet kennen. Ze draaien zich langzaam om, of hun nieuwsgierige blikken glijden langs den sjofele heen. Daar komt ook Pietje, de nieuwbakken rechter met zijn moeder. Die zijn dus ook voor Lucas hier, maar geen van zijn gewestgenoten treedt op Lode toe om te zeggen: „Dat doet me nou werkelijk genoegen jou te ontmoeten.” Men wijst mekaar den burgemeester, den gezant der Nederlanden. Met ’n ruk draait Lode zich om en staat voor ’n kleiner doek, ’n bloemen-weitje uit Limburg. Het wekt herinnering... hoewel Lucas dat blijkbaar allemaal anders ziet, donkerder, minder lieflijk. Lode staat te peinzen, tot hij opeens ’n hoge, bekende stem hoort, die hem zich doet omwenden en hij ziet opeens, naar voren huppelend met ’n grote sigaar in de hand, Lucas. Die springt op Arsène Loven toe en zegt duidelijk, terwijl alles stil wordt: „Me voila avec mes oeuvres!”
Eindeloze redevoeringen worden gehouden, terwijl Lode moet staan en zich steeds flauwer voelt worden. Men prijst Lucas als een der besten van deze nivellerende tijd, een neo-impressionist. Het Impressionisme schijnt het expressionisme te hebben verdrongen; ze vinden maar steeds nieuwe termen uit of lappen oude wat op.
Een zware kunstcriticus uit het Noorden, brengt het op de politiek. Men schudt het hoofd, wil hem attent maken, maar hij gaat door. Er is zo juist gesproken van nivellering: „Men kan ook teveel meemaken, zoveel ervaren omtrent onverwachtse meningsverandering, grenswijziging, hypokrizie, dat men de kluts kwijt raakt, alles gewoon vindt, het onderscheidingsvermogen verliest, en onze kunstzin afstompt...”
Als hij tot aller opluchting eindigt en Lucas ook hem de hand heeft gedrukt, wil Lode op Lucas toegaan: misschien kan hij me helpen!Maar het is moeilijk, in de nabijheid van den meester te geraken. Als ’t even stil is, neemt hij zijn kans waar. Hij dringt iemand opzij en hoort pas
133