ELFDE HOOFDSTUK
BALANS.
Maar wat is dit? Lode fronst de wenkbrauwen gelijk hij deed als de Koning in het Groot Schouwtoneel der Wereld. Hij wil te Antwerpen-Oost de trein verlaten en nu is ’t hele perron gevuld met baardmannen in lange jassen en met hoeden waarom bont zit. Zij zingen luidkeels ’n lied in ’n vreemde taal. Joden, natuurlijk uit Polen. Maar wat zingen ze? De niet-Polen luisteren goedmoedig toe. ’n Meneer met ’n brilletje zegt glimlachend: „Da’s
Hatikwah.”
Nors loopt Lode door, zeker ook ’n jood. Maar hij is niet zo stom om zo’n lied aan te horen, waarin natuurlijk wraak en vloek en wat dies meer zij over ons wordt afgesmeekt. Wat doen die hier in dit Germaanse land?
Hij daalt de trappen af. De wind snijdt, maar stevig stapt hij door, blij weer terug te zijn na dat onrustig en ingespannen werk. Zijn weg gaat langs onvriendelijke buitenwijken. Hij aarzelt even voor ’n goedkopen coiffeur, hij moet nodig geknipt. Vroeger, in de dagen van Judy, liet hij zich zelfs manucuren. Hij moet nu zeer spaarzaam zijn, hij heeft er niets op over gehouden. De haren kunnen nog wel iets langer, hij is artiest.
In de Pelikaanstraat wemelt het van baardmannen. Ze staan druk te praten, gelijk de Joodse abbé’s in het Mont-martrecafé en Lode, geërgerd door dat dievengespuis, sist ’n paar bejaarde Hebreeuwen toe: „Nah, ben je weer aan ’t mazzelen?”
Dc mannen verstaan hem niet, maar ze zijn even geïntimideerd en de goede Lode, dus weer tevreden gesteld, slaat met z’n stok tegen de trottoirrand en mompelt zijn nieuwbakken lijfspreuk, die hij te pas en te onpas aanbrengt: „Trappen en stompen, anders word je getrapt en gestompt.”
Hij had hooghartiger tegen de stomme kritici moeten, doen, maar juist door zijn bescheidenheid, de minzame hulpvaardigheid om hun zelf de tekst ter hand te stellen,
131