snapt, voor den aap, En de auteur zelf? Modern toneel — een fraze dit jaar...”
Lode is er kapot van. Hij verneemt er in, dat zelfs zijn geloof ontbloot zou zijn van die goede bedoelingen. Hij hoort niets van de opbeurende woorden van Dr. Geluw, wiens goedig guldensporenslagbaardje heftig trilt. Lode gelijkt wel doof.
Spoedig vertrekt hij naar Antwerpen. Ondanks het voorjaar is het guur als in de winter. In de trein vindt hij nog een krant, misschien iets gunstigers? maar neen: „Van de geest van Ronde’s poëem viel niets te bespeuren, enkel dreunden wat klanken na. Laten we dus den Boerman als een authentieken Wolff beschouwen.”
130