Ook in de andere gilden drinkt men op den Noordelijken kunstbroeder. Men zingt hem soms het Wilhelmus toe en hij gaat met hese stem speechen als ze „Stoel!” schreeuwen. Hij spreekt van de strijd der Vlamingen, die ondanks de banbliksems wordt voortgezet tot de overwinning. Hij maakt fijnzinnige toespelingen op de Duitse broeders en op de aativisten, die door Brussel belet worden het feest mee te vieren. En weer zingt men het Wilhelmus.
De studenten blijven enthousiast, ook als De Boerman wordt opgevoerd, maar het lekepubliek vindt er niets aan. Lode wordt gehuldigd en het meisje dat Rozaalke speelt en van de Toneelschool is weggelopen, voor ze ’t vak verstond, krijgt bloemen. Hoe zou Judy dit hebben gespeeld! Men heeft er niets van begrepen.
Verpletterend is de eerste kritiek die Lode ’s anderendaags in het hotel wordt gebracht. Lode is nog niet wel wakker. Hij is asgrauw van ’t drinken van gisteravond en rilt.
Geluw is ontdaan, zegt: „’n Ware furie hebben ze tegen ons ontketend. Couragie, vriend, couragie, ’t is ene franskiljon, den deze!”
Ziet hier wat den deze schrijft: „...ene drolligheid ten enenmale vreemd aan den verheven bard Pol. Ronde. Iets pallieterigs, een oud-Vlaanderen voor de touristen..., een kruis achter op de scène en een ladder natuurlijk, om aan te geven dat ’t modern toneel is. ’t Gelijkt aan een parodie op Agricola’s streven. En dan het onvermijdelijk bordeel: Katholieke auteurs voeren ons liefst in verdachte huizen en in elk stuk met veredelende strekking, vergast men ons op tenminste éen lichte vrouw. Slecht ook is de regie en dat juist hebben deze dilettanten ten zeerste van node. Er is voortdurend beweging op de scène, onrust die men eufemistisch met dynamiek verbloemt. Tegen het slot een geweldige vurige preek van den stervenden boer over de hel, zodat alle acteurs gaan ijzen. De zaal echter blijft onbewogen. Deze goede zedelessen zijn evenzeer op ’t zogenaamd drama geplakt, als dat witte kruis achter op het zwarte gordijn der sterfkamer. Een expressionisme dat in de ontoereikendheid van den epigoon Wolff een duidelijke kritiek inhoudt op heel die verjaarde richting: goede bedoelingen, veel „ziel”, weinig vorm, geen goede smaak. Men houdt den toeschouwer, die er niemandal van
Met de stroom mee. 9
129