Vlaamse troep opgericht, maar wil hem niet. Hij moet gaan verhuizen, naar Antwerpen, waar hij niet de erbarmelijke dag lang dat ergerlijke Frans hoort. Zijn schoenen zijn erg beslikt, hij poetst ze zelden, hij is onordelijk op zijn kleren. Vroeger gewaagde hij vol trots van kunst in armoedspij. Nijdig haalt hij de schouders op, slaat tegen ’n boom.
Deze allee af, dan is daar de vijver van het huis Pol. Ronde. De bomen druipen. Zijn haar is nat. Hij kamt zich even terwijl hij loopt, wil toch ’n goede indruk maken op Anastasie. Onder zijn voeten gaan rotte blaren. Daar is de vijver, er staat iemand bij.
Het volgend moment staat Lode stokstijf van schrik, zijn stok laat hij los.
De man, die daar schimmig in de regen staat, zonder hoed, met lange, witte haren, is de Dode, is geen ander dan Polydoor Ronde.
Ben ik gek, ben ik ziek. Het is verbeelding.
Maar de man, die over het vuile water heeft gekeken, wendt zich om. De schim zet zich in beweging, stroef, mechanisch bijna. Met ’n ruk draait Lode zich om, zijn kaken klapperen. Hij talmt echter met teruglopen. De Dode roept hem nog met zachte stem en komt hoekig nader. En even langzaam, gebiologeerd, schrijdt Lode op hem toe, terwijl hij vreemd en te onpas denkt: „Er is dus toch ’n God...”
De fletse ogen achter de natte bril, de witte wilde haren, de zwarte jas, de beverige mond; maar dit alles is wérkelijk; het is geen schim, maar Ronde leeft nog doodeenvoudig.
„Ge zijt meneer Wolff,” zegt de zachte stem. „Ge wordt verwacht, ik ben de broer van Polydoor.”
Lode staat stil: „Ik dacht dat ik Polydoor Ronde zelf zag...”
..Wij geleken aan mekaer, ik ben de jongste.”
Samen gaan ze naar het huis. Hij heeft Lode geen hand gegeven.
„Mevrouw Anastasie kan u tot haar leedwezen niet ontvangen. Ze is sindsdien steeds ziek geweest, ook nu is ze bedlegerig.”
Een zwijgen, maar het vocht dat van de linden druipt, geeft antwoord.
125