voorbij. Deze vrouw Judy. Ze heeft ’n brief poste restante in Maastricht gehaald. Hij heeft haar tas geopend, om lucifers te zoeken zogenaamd, maar eigenlijk, wijl hij haar had zien lachen toen ze van de post kwam. Zij kan goedi vergevingsgezind zijn.
Judy is het moe om zich den volke te vertonen. Ze is verliefd, vaag, op een Pool in Antwerpen. Ze moet ’t Lode zeggen, maar nu nog niet. Hij is handelaar in diamant, echter ’n knap violist. Judy is tot inzicht gekomen. Ze wil nu langs een lijn leven. Het spel van gister is een leven achter het leven geweest, men kan zich toch niet duizendvoud verspelen. We gaan rustig ons eigen leven leven; niet met dezen talentvollen man, die gister nog devoot was en nu maling heeft aan ’t hele geloof. Hij lijkt niet meer op Con-rad Veidt, maar op ’n banaal boekhouder die ’n kater heeft of slecht geslapen.
Even schrikt ze, als ze zijn oog langs haar ziet vlijmen met iets van haat toch. Ze denkt aan Parijs; ze is het nog niet vergeten, het snerpend onrecht spreken.
Ze gaat lezen, houdt ook nauw op als ze Lode warm hoort zeggen: „Judy, ’t lijkt me practischer ook maar in Antwerpen te komen wonen.”
Nu is een uiteenzetting harerzijds gewenst. Na ’n stilte zegt Lode hard: „Never mind, ik kom toch naar Antwerpen, Antwerpen is goedkoper.”
Voorlopig blijft Lode in Brussel, werkt aan vaudevilles en Vlaamse revues, arbeid die hij veracht. Hij ontwerpt filmscenario’s, zendt ze naar Gaumont, krijgt ze soms nog terug. Hij tracht madame Lafleur-Nyssen, bankier Presburg en andere invloedrijke personen voor een Waalse filmindustrie te interesseren. Ten slotte komt deze film-onderneming, zonder hem. Presburg en zijn knecht Zee-hane hebben de economische leiding. Lode werkt ’n tijd bij de figuratie.
Maar zit inmiddels niet stil. Hij helpt dilettantenverenigingen met de regie. En zulke rederijkerskamers zijn er nog talloos vele in Vlaanderland.
122