besteld, maar ze komen jou natuurlijk ’t meest toe. Kind! je hebt je zelf overtroffen...”
„Ik speel nooit meer,” snikt Judy, gebroken in al haar genegenheden. „Deze ordinaire vrouw, wat wil ze van me.”
Dat had ze misschien niet moeten zeggen; het is Lode’s zuster, die veel voor hem over heeft. Judy praat misschien in een opwelling. Straks wordt alles wel weer goed, maar tegelijk twijfelt Lode.
Als hij de volgende dag met haar in de trein zit, twijfelt hij niet meer. De kritieken doen het werk verder, dat Lode’s zuster begonnen is. Marie was het rechtvaardig noodlot, dat twee toneelspelende mensen, die evenmin zich zelf als elkaar kenden, scheiden moest.
Er is al een kritiek uit. Judy leest ze, dan leest Lode. Ze leren allebei iets omtrent de kunst, de kritiek en ’t leven.
Judy zegt opeens: „Ik heb me vergist, theater is mijn roeping niet.”
Leroy roept heftig: „Hoe kun je ’t zeggen, met die grandioze recensie in je hand.”
„Je weet zelf wel Leroy, dat van die recensies minder dan niets deugt. Het is klare nonsens, die lof voor jou en mij, die kleine dwaze notitie over Wolff. Onbegrip van ’t stuk en van Wolff. Grotesk!”
Lode zwijgt. Haar woorden roeren hem allerminst. Hij gaat bijna geloof hechten aan de opmerking van zijn zuster, dat deze vrouw den knecht de bloemen uit de handen heeft getrokken. Inwendig gloeit ze van triomf, hij kent deze valse bescheidenheid. Van het toneel gaan, ja, als er geen emplooi meer is.
Lode bijt op de lippen. Die twee hier, van de toneelschool, hebben ’t makkelijker, mijn leven in de kunst is hard. Ik lees nooit meer kritieken. Beter helemaal het toneel te verlaten. Want wat hebben ze nu verdiend? Lode voert zelf de kas; de recette is netto niets. Judy heeft ’t nier nodig, die leeft van de kritieken. Maar ik moet geld hebben, ’n Reisje naar de oude vrouw kan er nog niet af, laat staan ’n nette demi.
De trein rolt door de Kempen. Het ene ogenblik wil Lode aan de revue, dan aan de film; ’n scenario schrijven; ’n drama schrijven; roem; geld; naar huis; 'n regenjas. Hij is zeer somber; triest en monotoon glijden de Kempen
121