liefd en vermoeid naar Men-schvijft-ons. En vele anderen luisteren. Ze weten nu hoe ze over ’t spel der drie „buitenlanders” hebben te oordelen. Mcn-schrijft-ons is zeer door Judy’s merkwaardige schoonheid gepakt. Die Lode W. schijnt ’n Limburger te zijn, waar weinig van terecht is gekomen, Judy is de kern van het gezelschap, ze handhaaft haar amant uit medelijden. Ja, zo iets had ik ook al gedacht. Nee, dan die Leroy, die laat wat anders zien, wat ’n veelkantige persoonlijkheid, wat ’n briljant spel. „Veelzijdig” en „Brille” repeteert zelfstandig de particuliere correspondentie. De Telegraaf gaapt.
Maar zelfs de Telegraaf raakt in de derde acte ontroerd. Hélène wil, voor ze met Challange gaat leven, eerst rustig alles regelen. Maar Challange wil haar meevoeren in de weergaloze blauwe nacht in het park. Hij sleurt haar bijna weg uit alles waarmee ze vergroeid is; ze houdt wel niet ten volle van Henri, maar hij was haar eerste liefde. Challange hoont bijna: de eerste liefde dat is niets, dat is geen liefde. Weer overtuigt hij haar en haast was ze gevlucht. Dan blijft ze dralen en zegt: „Ik heb in dit huis een jongetje verloren van vier jaar.”
„Jij?” vraagt verwondert Challange en herinnert het zich dan plotseling.
Judy zegt met veranderde stem: „Was je dat vergeten?” Challange: „Je hebt er nooit over gesproken.”
En Hélène met tragische ironie: „Ja da’s waar.”
De woorden beklemmen, maar morgen zal ze vertrekken met hem. Hij gaat weg, vol voorgevoel dat het avontuur zal mislukken. Zij huivert, roept dan Henri.
Lode komt verwilderd, zoals Judy hem het meest liefheeft. „Wat is er?” vraagt hij bruut, „wat moet je nog van me?”
Lode en Judy beleven nu hun hevigste momenten. Ze spreekt van hun kind dat gestorven is. Maar Lode wil er niets van weten, het is dood voor hem, evenals alles dat met haar in verband staat.
Echter roepen haar martelende woorden oude gevoelens wakker. „Ga weg,” roept hij rauw. Ze heeft ’t koud, huivert, hij gooit takken op ’t vuur, spreekt met koude stem: „Ga zitten” en dan nog ’s „Ga zitten. Warm je.”
Hij wil dan weggaan. Hélène snikt. Henri draait zich om; staande achter haar, kust hij d’r op ’t haar. Ze went
119