zegt te houden, naar Hurwitsch luistert. Niet attent als je ’t mij vraagt, bij de eerste grote avond van ’t seizoen in de Comedie. En de „Gouverneur”. Ook niet hier. Was ook liever naar Hurwitsch gegaan, hoewel zijn vrouw hier heen wilde. De grote sigarenfabrikant geeft zijn mening, hij zegt: „Ahem. Ahem.” Wat kan de oude baron anders doen, dan ook zijn opinie te doen horen en hij spreekt aldus: „Tjè, tjè.” Zijn zoon zegt, wat hij gewoonlijk zegt, wat overal op past en als ’n particuliere filosofie mag beschouwd worden: „Zo gaat het.” En de grote fabrikant: „Inderdaad, zo gaat ’t in de wijde wereld. Maar anders heel delicaat hoor.”
„Wel fatsoenlijk,” beaamt de baron, die dóór heeft dat het over Hélène gaat, „ik heb geen onverkoren woord gehoord.”
„En nog wel in ’n Frans stuk,” zegt de zoon, „maar absoluut niet schuin.”
Het ongeluk wil, dat zijn moeder het laatste opvangt, ze is blozend, opgeblazen en ’n weinig malend: „Ik hou anders wel van ’n beetje schuins,” zegt ze lachend, „ik mag dat wel. Ik mag dat wel zeggen op mijn leeftijd.”
Om werkelijk kritiek te horen, moeten we elders zijn. Wij snellen dus over de glanzende vloer naar de fumoir. Daar wordt ’n meneer omsingeld die hier ’t orakel is. Hij heeft ’n baard. Zijn kritieken verschijnen sterk verkort in de voornaamste krant van Amsterdam, onder het hoofd: Men schrijft ons uit Maastricht.
„Men-sóhrijft-ons” is vol lof voor Judy en Leroy. Hij heeft veel bezwaren tegen Lode. Die is vervelend en niet beschaafd.
’n Ander man van ’n krant, die zijn recensies nooit lang genoeg kan krijgen, noteert in zijn hoofd: beschaafd, vervelend. Hij heeft de eerste acte niet bijgewoond, was eerst in de Dominicanerkerk, waar hij niet veel aan vond, maar zijn krant wil overal copy van. Zo’n drukke en onmogelijke avond heeft Particuliere correspondentie nog nooit gehad. Hij transpireert en zijn oren happen elke syllabe van Men-schrijft-ons op, zijn geest prevelt: zelfstandig verwerken. Na de eerste acte is ook de correspondent van de Telegraaf uit Aken gekomen. Hij heeft de tweede acte geslapen, nog nagedroomd van het aardig meiske waarmee hij in het Aachèner Wald heeft getoefd. Hij luistert ver-
118