NEGENDE HOOFDSTUK
IN VERKEERDE HANDEN.
Ze gaan in Holland spelen! Welk een triomf; en nog wel in Maastricht, het artistiek centrum van het Zuiden. Daar zullen Lode’s gewestgenoten den vroegeren boekhouder van Staatsmijn Emma op een hoger plan kunnen toejuichen.
„Een ding is jammer,” zegt de administrateur van de Comedie, „niet alle deftige lui hebben kaarten genomen, maar d’r zijn d’r die pas vlak voor de voorstelling biljetten kopen. Het vervelende is, dat in de oude Dominicanerkerk ene Levy Hurwitsch viool speelt en deze Pool schijnt veel publiek te trekken. Stom, dat dit juist zo uitkomt...” Lode briest als de leeuw uit Reinaert: profane muziek in een gewijde kerk!
„Ach,” lacht de administrateur, terwijl ze achter de scène tussen de coulissen op en neer gaan, „deze schouwburg is ook ’n oude kerk van de Jezuieten, en Hélène is toch ook geen gewijde kunst... U had vroeger mevrouw Lobo als Hélène moeten zien, meneer, die ging er zo in op, dat ze nog huilde als ze achter de scène kwam...”
Het was Lode niet bekend, dat dit theater eertijds ’n Jezuitenkerk was. Hij loopt haastig naar voren; het intérieur is heel veranderd, gemoderniseerd; het goud is weg en kijk, de balustrades, waar indertijd de namen van grote meesters waren aangebracht, zijn lichtblauw gelakt. Een Poolse Jood speelt in de Dominicanerkerk, verdomme! Ook Judy kende zo iemand in Antwerpen, maar geen violist, enkel een doodgewone diamantkerel.
Voor de repetitie slentert hij met Judy en Leroy, (die den huisvriend speelt) over de wallen, door de stad; men ziet ons aan, dat wij de beroemde spelers zijn! Op het Vrijthof staat Lode af en toe stil, als geïnspireerd, in meditatie; maar verdikke, ’t lijkt wel of niemand hem hier herkent. Vanavond zal ’t anders wezen. Ook zijn zuster Marie, die met den oppassenden timmerman Dekkers is gehuwd, die nu ’n flinke aannemer is geworden en lid van de Raad van zijn dorp, zal hem komen bewonderen.
115