men en van allegorische voorstellingen: Het Godsvertrouwen, de Deemoed, als een vrouw in het wit... Geen Meneer, die Haat heet en lelijke gezichten snijdt, Lode, maar een gewoon mens met haat en liefde en duizend andere eigenschappen; variaties, geen typen of vleesgeworden doodzonden. Vlees wordt het nooit, het blijven acteurs, die dwaas doen. We moeten beginnen met...”
„Met?”
„Met Hélène van Géraldy,” zegt ze peinzend.
En hij, er direct in, met somber geluid: „Wat is dat toch, dat doffe slaan in het bos.” Zij antwoordt, een huivering bedwingend: „Ze zijn bomen aan het omkappen, voor de winter.”
„Je bent enorm, liefste.” zegt Lode heel gewoon. „Als ik naar jou luister, moét onze troep iets worden.
Maar zij denkt aan de herfst en citeert Baudelaire:
Bientót nous plongerons dans les froides ténèbres...
C’était hier l’été, voici l'automne,
Ce bruut mystérieux sonne comme un dèpart.
Acteurs horen zichzelf niet ongaarne. Lode denkt aan andere dingen, terwijl Judy haar zwaarmoedigheid vertolkt met de gevoelens van Baudelaire.
„We zullen een naam moeten hebben, wat denk je van Vlaams Kamertoneel?”
Judy knikt, afwezig.
„Maar,” zegt Lode nadenkend, „eigenlijk ben jij geen Vlaming.”
„En jij dan?” vraagt ze verbaasd. „Je bent toch ook Hollander... ?”
„Nog altijd iets meer Vlaming dan jij,” zegt hij, glimlachend als een fijne, zachte schurk.
Heeft ze kou gevat? ze huivert. Waarom moet Judy nu juist aan het schimpende aanvangswoord denken, dat die zelfde Baudelaire schreef over de Jodin, waarmee hij geslapen had...
114