trekt een grote wolk langs de hemel, zelfs het uitspansel schikt zich in Lode’s regie.
Het is stil, maar dan klinkt de stem van den vermoorde, of van God? Maar onwezenlijk: „Kaïn... Kaïn...”, zodat het ons koud langs de rug vaart; een geruis klinkt, de zon is dan geheel schuil gegaan achter een monsterachtige grauwe wolk en op de heuvel verschijnt Kaïn, verstoord, verwilderd. Er voltrekt zich opnieuw een verdrijving uit het paradijs, woest hangen de haren van den eersten moordenaar en Judy, de koele nuchtere, kan zich niet weerhouden; op haar koud geworden handen valt een traan... Kaïn.
Vóór het onweer uitbarst, zit men al in de autobussen. De jongens van het patronaat ruimen het toneelbestel op en ondanks Judy naast hem, is Lode treurig. De grote pers is niet gekomen bij dit formidabele succes. Hij heeft iets nieuws willen brengen, een natuurlijker spel, zonder schmink en truquages. Wat doet het er toe, dat deze boerenharken hun handen stuk hebben geklapt? Dat hoort hij niet; dat doen ze ook als dilettanten of beunhazen een platte klucht spelen.
Als ze in Brussel komen, horen ze, dat Jilles het land verlaten heeft... Wat nu te doen. In een taxi gaat Judy naar haar oom; de bankier móet helpen, moet den man helpen, die de evenknie is van Alexander Moissi, van Pal-lenberg, van Wegener. „We richten zelf een theater op,” heeft ze den ontgoochelden Lode beloofd.
107