dat ondanks zijn symboliek, in de dagen van Olim kasstuk was. Ze voeren op de Belfort in Brugge, in de prachtige antieke omgeving, Reinaert de Vos op en ook hier is Lode weer een prachtige Koning Nobel. Lode’s ster stijgt, en af en toe benevelt hem nog het applaus, maar de financiën worden verwarder en Jilles somberder. De belangstelling bij Reinaert was vrij groot, maar sinds Marieken zwijgt de grote pers over Lode’s creaties. Wat zou er toch zijn? Heeft zijn roem dan maar enkele dagen geduurd?
Maar nu zullen we het hebben. Maanden lang heeft Lode aan het Vlaamse stuk „Kaïn” gedacht en hij is er in gegroeid. Het stuk is niet best, maar zoiets laat zich beter spelen dan Shakespeare, Judy moet dat toegeven. De eerste acte speelt in het Paradijs, de tweede en derde met het Paradijs op de achtergrond. Dat Paradijs is Limburg, het landschap waar hij met Pastoor heeft rondgedoold en bloemen geplukt met het kleine Greetje in het klaprozenweitje... Als een bezetene zoekt hij in West-VI aanderen om een geschikt openlucht-theater te vinden, ter omlijsting van de première. Er moet een heuvel zijn naast het paradijs, waarop Abel zijn offers brengt. Die offers worden niet écht gebracht; de toeschouwer moet zoveel fantasie hebben, dat zulks niet nodig is, de tekst moet tot hem spreken. Achter die heuvel, waar misschien ook de souffleur zal moeten schreeuwen, zal Kaïn (Lode), Abel vermoorden. Abel is een jonge bekoorlijke knaap, Leroy, pas van de toneelschool. Men is erg gebeten op die uitblinkers van de toneelschool, ze hebben een pipa met contanten en geen grein talent, zie maar naar mademoiselle Judy, die ook niet zo geweldig blijkt te zijn; haar amant de coeur zelf kiest haar niet als Eva; dat zal mevrouw Danneels doen, de veertigjarige matrone, die ook heel wat meer geschikt is om als mensenmoeder Eva op te treden dan de overslanke Jodin, waar Lode bezwaarlijk zijn mama in kan zien. Lode is d e man.
Als hij werkt, is Judy vol bewondering. Geen grootspraak, geen pose. Als regisseur is Lode Wolff onherkenbaar, hij siddert, is extatisch als hij gebaren voordoet. Hij leeft daar in, opgewonden, maar een kleine fout, een vergissing, maakt hem razend: „het moet af zijn”, zegt hij hees en repeteert. En zoekt naar het .paradijs.
105