ZEVENDE HOOFDSTUK
ZOMER.
Lode krijgt de rol van Moenen. En dat niet alleen, Agricola, die zich vaak down voelt tegenwoordig, laat zelfs bepaalde regie en decor-zaken aan hem over. De Gazet van Antwerpen, de Schelde en de Standaard, geven al weken van tevoren artikelen over het aanstaand toneelgebeuren. Zee-hane zelf dringt de Soir binnen en schrijft er ’n stuk in, vol vleiende leugens over Judy, die hij tot de wolken verheft. Dat gaat allemaal in het Frans. De portretten van Judy en Lode worden erbij afgedrukt.
Lode stuurt de kranten aan zijn moeder. Men zal daar opkijken in dat Limburg; eindelijk gaaf het dan toch komen. Je móet ’n kruiwagen hebben tegenwoordig. Als Zeehane zich ergens voorspant, kun je verzekerd zijn dat ’t goed afloopt.
Het zijn opwindende dagen. De lente is gekomen, Judy en Lode gaan wel ’s wandelen; ze leren hun rollen in het Sonien bos. Judy begint dan: „wie sidi vrient?” en Lode, duivelachtig en verlokkend, antwoordt. Voor het duivelachtige heeft hij zich op Zeehane geïnspireerd.
Op de foto in de krant staat Lode met een lichtgrijze bolhoed, in zwart-glacé-geschoeide handen; zijn gepoederd gelaat is somber met mate. Als Stevens hem ergens ontmoet, buldert ie door ’t overvol café, om Lode’s dandylike voorkomen: „Hawel den Lode, zijt ge bij de Jeannetten geweest!”
Stevens heeft de pee tegen hem in, omdat hij graag Moenen had gespeeld. Stevens en ook de anderen werken hem tegen. Het gaat hen niet best; het gaat over ’t algemeen niet goed met ’t toneel. Komt ’t door de concurrentie, door de revues met hun blote-benen-parade, door de music-halls, door de ciné’s met hun spannender attracties? Agricola is humeurig. De administrateur kamt zijn lange manen al lang niet meer, het wil niet goed met de gelden. De Vlaams nationalen maken zelfs ruzie in de kamer, over het schandaal, dat het Vlaams Massatheater minder sub-
98