een huwelyk met haar die van iets andere stand en vrywel zonder bezittingen was, niet goed mogelyk gebleken zyn. Ik had nog nooit aandacht aan die meisjes geschonken, sinds dien dag echter, toen een flauwe waterige zon had geschenen, bleef my de naam Tonia by; vergeefs hoopte ik op haar terugkomst, maar ons huis bleef verlaten en in die dagen van rampzalig verlangen naar dat zoet gelaat, kreeg Martha nog meer vat op myn persoon. Zy kuste my en leerde me de troebele geheimen van het zingenot, op de zolders en in den kelder, overal zie ik haar naast me, eerst in teeder adembenemend spel dat echter bitteren nasmaak laat, dan in benauwende tyranieke opdringerigheid, de glanzenden koloogen op my gericht, de bleeke haren om ’t vochtige hoofd. De paddestoelen in den kelder, de bronzen hoorn van overvloed op de wormstekige, krakende rommelzolder zyn onafscheidelyk verbonden aan het angstvol ontwaken van myn puberteit. Ze bedreigde me met gruwels als ik niet lief met haar was, verhalen waarin ze zelf met religieuze razerny in geloofde, haar vrome liederen galmden valsch onder het resoneerend verwulfsel, ze vertelde my terwyl ze me drong tegen zich aan, van een wonderbaarlyke duivelsuitdryving die ze had bygewoond: haar nichtje lag op haar bed te hygen en te trappelen met schuim om den mond. En nadat de exorcist herhaaldelyk het kruisteeken op het voorhoofd der bezetene had geschetst, vloog ten slotte de boozen geest uit de nagel van het kind. Tierend en vloekend uit de nagel van haar pink. Als n vogel stiet hy overal zyn vlerken tegen, tot n raampje werd opengeschoven en hy gillend ontvlood, terwyl de aanwezigen kruisen sloegen en baden, maar het meisje was kalm ingeslapen. Er zyn echter ook duivels zoo klein dat ze door ’t sleutelgat van n gesloten deur binnenkomen! Martha vroeg me of ik me nog herinnerde dat men toen myn vader gestorven was, de kist beurtelings in elke hoek van de kamer overeind zette om haar ten slotte met geweld van de trappen te werpen. Ik geloofde deze overspannen vrouw, ik was haar hoorige-, tot het rytuig naderde en ik bevryd en schreiend myn moeder by de voordeur om den hals viel.
200