Napoleonsallure deed. En Frans gevoelde dat hij nu niet langer n kleine jongen was, dat hij met de grootmenschelijke ernst had kennisgemaakt, liefhebben en doodschieten!
Kort daarop stierf meneer Bahlman. Alle kwezels van de straat marcheerden twee aan twee als afgodsbeelden stijf met gitten1 behangen naar de kathedraal. Vader had geen tijd, moest ergens n nieuwe zusterschool openen, maar Fransje, hoe naar hij ’t ook vond, stapte achter n neef van den overledene aan, met n zakdoek in zn hand. Maar de zakdoek bleef droog. Pas veel later toen er vuurwerk was voor de koningin, dacht hij weer aan Bahlman, die altijd zoo gul gegeven had als de kinderen bij hem kwamen voor „versiering” en illuminatie. Maar de indrukken waren hevig, en toch vluchtig, er gebeurde te veel, aeroplanen manoeuvreerden boven de stad, de hele Luifelstraat werd donker door n luchtballon, van alle kanten kwamen gevluchte soldaten. In huis werd ’t er niet gezelliger op. Hun woning was de eenige die nog n zeventiende-eeuwsche luifel droeg en n uithangbord met n korenwan2, vader had dat heele 178 zaakje weg willen hebben, maar het mocht niet van de raad, hoe hoog heer vader ook was. Vader nam het die lummels, die kaffers geducht kwalijk, al ging hij in f café beleefd met burgemeester en wethouders om, die hem allemaal persoonlijk bezwoeren dat ze die rotte luifel niet zoo gewichtig vonden, maar ja, wat wilde men, het was force majeure.
Frans dorst niet langs f café, maar een keer móest hij er langs. Achter de heesters in bakken, zaten de heeren en een van hen riep: „Kijk, inspecteur, je zoon.” En hij hoorde rillend zijn vader brommen: „Laat hem maar gauw doorloopen.” „Om den dooien dood niet, hé, Sjang, haal den jongeheer Bartholomeus eens binnen.” Even daarna hoorde hij ’t gehijg van den dikken waard achter zich. Vuurrood en onhandig schuifelde hij binnen tusschen de triomfantelijk-lachende heeren, vader keek spits, maar 't was er zoon gezellig lawaai en geschreeuw, en toch gevoelde hij iets
1
gitten: sieraden van bergwas, gagaat, zwart agaat of, zwart barnsteen, soms zwart glas.
2
korenwan: brede, platte korf van gevlochten stro voor de verwijdering van het kaf uit gedorst
graan.