IV
Dit is een dag zoals er duizend zijn: de wind bevaart de bladerloze bomen, de hemel heeft gelijk een grijs gordijn de kim bespannen, en het grote stromen der stilte maakt uw sterven tot een ramp, die met in deze wereld kon geschieden.
De avond daalt, en bij de schijn der lamp poog ik uw dood al verder te ontvlieden. Maar hopeloos als nooit tevoren stijgt uw aangezicht omhoog, en mij doorboren uw ogen en uw stem die nimmer zwijgt, al schijnt zij voor de eeuwigheid verloren.
En deze hand die naar het leven tast, die nog krampachtig bij geluk wil zweren, gij overweldigt haar, gij houdt haar vast, en weer begint uw pijn mij te regeren.
3°