geen ogen zelfs meer had om toe te doen. !
Te zelden loopt het mensenlichaam vol
van een geluk dat louter ruimte is,
een golf van vrijheid die omhoog blijft staan
binnen de horizonnen van het hart;
te zelden kent het de bewogenheid
van de gesternten, ademhalend vuur
dat gouden stuifmeel uitzaait in de nacht;
zo diepe holen graaft de levensangst
dat haar geen huivering bereiken kan
van het extatisch waaien dat èn ziel
èn lichaam van het universum is.
Maar soms woelt zich uit de granieten grond
der j aren plotseling een woede los
die als de lege weergalm is van wat
zich scheppend in de ruimte openbaart,
een kracht die niet vereeuwigt maar verslindt,
een donkere bezetenheid die in
haar eigen hitte rondsnelt, wielend vuur
dat het beginsel der creatie zelf,
de waaierende stijging van geluk,
poogt weg te zuigen naar de ondergrond.
Dan werpt het leven alle schaamte af en stelt zich naakt en roekeloos te weer, gelijk het eens zijn eerste ademteug bevochten heeft op een chaotisch kwaad.
De chaos: woestenij en ledigheid, verloochening van ’s werelds heilprinciep, ontkenning van het eeuwig vruchtbegin in ’s mensen sterfelijke staat -
34