ZO IS HET GEBLEVEN
Zo zie ik het voor mij, zo bijt het
telkens tot in het bloed van mijn gedachten:
een straat, een versteende long,
huizen die nimmer scheuren,
bomen die niet wankelen,
alles in kalk en hout verankerd.
Aarde en lucht tegenover elkaar, een afstand die niet krimpen kan en waar geen arm door reiken kan en waar geen stem de leegte van kan laden met haar angst.
En toch heeft daar een dood gewoed die nooit verzoend zal worden, en toch is daar de mens tot op zijn laatste schamelheid ontbloot: een beenderbouwsel om een bevend hart, handen gekromd om hun eigen wanhoop, en overal een dag die zijn hooghartige schoonheid ten toon hield, wegen die uit het gezicht renden, landen en zeeën waarboven de zon haar baan liep, alles zoals gisteren en morgen en voorgoed.
Zo is het gebleven, zo ziet het mij aan telkens als ik mijn ogen niet bewaak.
82