Geen dag vergeet de vuren van den nacht, elke seconde is van gloed doorschenen, als een geslepen druppel van kristal, de raadsels worden niet ten eind gedacht, daar zij het hart te diepen blik verlenen in de verlatenheid van het heelal
Maar dit ontwaakte leven, dat zijn pijn en heil in eiken hartslag mee voelt kloppen, dit ademhalen, dat zichzelf verteert, bereikt een hemel, dien geen serafijn ooit aanroert met zijn blanke vleugeltoppen, tenzij hij zich van God heeft afgekeerd.
Gij, in uw fonkelende eenzaamheid, uw lichtdroom, die zich nergens wist geborgen, gij hebt u dag aan dag omhooggestort, ontroostbaar, tot het uiterste bereid, in een extase, die de ziel moet worgen, wanneer haar honger niet verzadigd wordt.
32