armen langzaam naar beneden. Hoe dichter ze bij zijn lichaam kwamen, des te zwakker werd het geweld van de orkaan. De monsterachtige paarden en hun ruiters verdwenen, de zwarte wolken trokken weg, de hemel ging open. Een zee van blauw vertoonde zich aan het oog. Er trad rust in. De wateren dreunden nog na, maar het was niet meer beangstigend.
De oude man begon verlicht adem te halen. En vóór hij wist wat er met hem gebeurde, stond hij weer in de torenkamer, naast de engel, tegenover de windoverste. Deze keek de oude man ernstig aan en stak hem de hand toe.
'U hebt het gezien. Vaarwel.'
'Vaarwel,' antwoordde de man, met tranen in zijn stem.
En hij daalde met de engel de eindeloze trappen af, zo snel alsof hij vloog. Lichtvoetig liep hij over de hemelweiden, waar de duizenden glanzende paarden graasden alsof er niets gebeurd was.
De oude man en de engel gingen door de landen van de aarde en overal was het leven goed en vriendelijk, maar ook wonderlijk. Was al het onheil dan maar een droom geweest? Hij vroeg het de engel. Deze glimlachte geruststellend. De oude man herkende in die glimlach een diep erbarmen. 'Een droom?' zei de engel. 'Waarom wilt u dat weten? U hebt het gezien en zo kan het gebeuren. Bent u nu tevreden?'
'Ja, ik ben tevreden, want ik heb het gezien. Maar ik heb de mensen zo lief gekregen dat ik de korte tijd die ik nog te leven heb, wil gebruiken om goed voor ze te zijn; om te proberen tegenover het vele ongeluk dat de mensen kan treffen, iets anders te stellen dat hun leven kan verlichten.' De engel drukte hem lang de hand. 'Dan is mijn opdracht niet vergeefs geweest,' zei hij, 'want de liefde is het hoogste waartoe een mens kan komen. Ik wens u het allerbeste!' Zijn stralende gestalte verdween in het blauw van de hemel. De oude man stond voor zijn woning. Hij ging naar binnen en dacht lang na over al wat hij gezien had.
97