De stormpaarden
Er was eens eeti man die veel had nagedacht. Er waren in de wereld allerlei dingen die hij niet kon verklaren. Ondanks al zijn nadenken,; vond hij op hoge leeftijd dat hij nog niet erg wijs was geworden. Hij had de zon gezien, de maan en de sterren. Hij h^d in de vroege morgen de wereld zich langzaam uit wolken van nevel en dauw zien bevrijden. En 's avonds had h|ij aan de verre einder de zon zien wegzinken als een gloeiende bol.
Telkens weer vfaren dat wonderen voor hem geweest.
Veel mensen zijn anders. Die raken aan alle wonderlijke dingen zozeer gewend dat ze die als heel gewoon gaan beschouwen. Maftr ze waren niet gewoon, dat wist de oude man heel stellig. Ze waren niet gewoon en ze zouden het ook nooit worden.
Vóór ik doodga, zou ik toch meer willen weten! dacht de man.
'Dat kan,' zei een stem.
Voor hem stond een gestalte die van het hoofd tot de voeten een helder licht uitstraalde. Was dat een mens? Een droomfiguur ?
'Vrees niet,' zei de stralende gestalte. 'Ik doe geen kwaad. Ik ben de engel die naar heel aandachtige mensen wordt gezonden. Mensen die een leven lang bewezen hebben dat ze de wonderen van de wereld niet achteloos voorbijgaan. Er komt een tijd dat zulke mensen moe zijn van al hun verwondering. Dat ze niet meer weten wat ze moeten beginnen met de vragen die ze altijd gesteld hebben en waarop ze nooit antwoord hebben gekregen. En om die mensen te belonen voor hun geduld, kom ik naar ze toe. Dan mogen ze iets zien dat ze in de vele jaren van hun leven nooit eerder gezien hebben. En ze mogen zelf zeggen wat ze willen zien.'
De oude man wist niet of hij blij of bedroefd moest zijn. Er was zoveel dat hij wilde zien en hij mocht maar één ding wensen.