veer half één in de nacht het station van onze stad uit stapte. Ik was niet in een uitbundige stemming, maar bedaard, gelukkig.
De laatste tram was al weg, ik moest naar huis lopen, een klein half uur, maar ik was jong en gezond.
Alles was goed en toch was alles vreemd. Waar zat dat vreemde in?
Ik was niet helemaal mezelf, ik had het gevoel dat ik ook buiten m'n lichaam bestond, dat ik overal was, in de huizen, in de bomen, in de straatstenen. Het was of me van overal iets tegemoet kwam, een stroom die door me heenging, een soort elektriciteit.
Het laatste stuk van de weg liep ik te neuriën of te zingen. Ik kwam bij huis aan. De zaak was natuurlijk al gesloten. Ik maakte de deur van het bovenhuis open en liep zacht de trap op.
Annie mocht niet wakker worden. Dat verwachtte ik ook niet, want als ze eenmaal in slaap was gevallen, werd ze nooit voor de volgende morgen wakker.
Boven, in de gang, moest ik goed opletten omdat er juist verbouwd werd en er spullen rondslingerden. Door die rommel kon de deur van onze slaapkamer niet helemaal dicht, maar moest op een flinke kier blijven staan. Er viel een lichtschijnsel door. Ik dacht: ze heeft vergeten het bedlampje uit te doen vóór ze in slaap viel.
Toen keek ik naar binnen en zag ik iets waarvan ik geen idee had. Iets dat voor mij eenvoudig niet bestond. Misschien moet ik gewoon zeggen dat ik m'n ogen niet geloven kon -maar dat was het toch niet precies.
Het bed was opengeslagen en Annie lag erop, met Hilde, onze serveerster, tegen zich aan. Ze waren naakt.
Hilde lag met haar mg naar me toe, Annie kon ik in haar gezicht kijken. Het straalde zoals ik het nog nooit had zien stralen.
Ik heb je verteld hoe gelukkig ik me op weg naar huis had gevoeld. Misschien kwam het daardoor dat ik eventjes de kluts kwijtraakte. Het was logisch geweest als ik, toen ik die vrouwen daar zag, me ongelukkig of woedend had gevoeld . Maar ik kon niet zo gauw de stemming loslaten waarin ik thuis was gekomen. En die werd nog versterkt toen ik Annie zo intens gelukkig zag.
84