zich veroorloofde en die uitdrukking gebruikte hij alleen tegenover een handvol vertrouwelingen.
Dezelfde voorzichtigheid betrachtte Hahne in de omgang met degenen wier lot in zijn handen was gelegd. Hij kon zich geen grotere voldoening voorstellen dan iedereen tot het laatst toe een gevoel van geluk te geven. Uitsluitend door eigen kracht en kennis kon hij dit niet bereiken en daarom zocht hij hulp.
Hahne had een bevriend chemicus op een idee gebracht, een heel eenvoudig idee. Ongeveer een eeuw geleden was in de medische praktijk voor het eerst een inhalatienarcoticum gebruikt, het lachgas. Dit preparaat, maar dan natuurlijk aangepast aan de bijzondere situatie van het ogenblik, moest een radicaal middel tot een zuivere gelukservaring worden. De uitvoering bleek echter minder eenvoudig dan het idee. Telkens weer had Hahne, als hij van een inspectiereis naar andere centra terugkeerde, te horen gekregen dat de methode nog niet goed werkte, zodat men zijn toevlucht had moeten nemen tot hulpmiddelen die het experiment met lachgas op een onprettige wijze beëindigden.
Eindelijk hadden de proeven echter een resultaat opgeleverd dat massale toepassing verantwoord maakte.
Die middag na de broodmaaltijd liet Wehner alle volwassenen in de bibliotheek samenkomen. Met de roerloze rijen klassieken om zich heen zaten ze daar als afgeschermd tegen de wisselvalligheden van de buitenwereld.
In het door de sneeuw verhelderde licht blonken hun gezichten naakt en weerloos.
Niemand, ook Emma niet, wist wat er komen ging. Wehner stond op en legde zijn handen met ineengevlochten vingers op zijn buik. Zacht maar duidelijk herhaalde hij wat Hahne hem die morgen had gezegd. 'Er zijn veranderingen op til.'
Allen keken hem angstig aan.
'Ik kan alleen maar zeggen dat we morgenochtend moeten vertrekken. Verder weet ik niets.'
Wehner zweeg.
Het duurde even eer iemand op zijn aankondiging inging. Het was mevrouw Hertz. Bij haar was het gevoel van angst niet meer dan een flits geweest, een gewaarwording die onmiddellijk had plaats gemaakt voor de gedachte: wij moeten
147