Men kon er mensen mee vervoeren zonder hun de indruk te geven dat ze vrachtgoed waren. De chauffeur, een jonge man in burger, tikte aan zijn pet en zei goeiemiddag. Hij keek met een glimlach naar de kinderen. 'Stapt u maar in,' zei hij, 'ik reik de bagage wel aan.' Hij deed meer, hij legde de koffers op een paar lege banken achter in de wagen en ging toen achter het stuur zitten.
De reizigers vergaapten zich aan de omgeving, alsof ze voor het eerst een stuk vrije natuur zagen. Het was werkelijk een imposant landschap, een laan met aan weerszijden beuken waarop bleke zonneschijn viel.
Tussen de bomen waren telkens doorkijkjes naar door bos omsloten grasland met hier en daar door planten overwoekerde rotsen. De bosgeur drong in de wagen door; de reizigers namen haar als een drank in zich op. Enkelen keken elkaar aan met in hun ogen een van die vragen waarop niemand het antwoord wist.
De weg steeg langzaam. Het landschap kreeg een parkachtig karakter: welverzorgde bospartijen, een kleine vijver, verharde slingerpaden, een wandelgebied voor welgestelden. De poort waar de wagen onderdoor reed, scheen eeuwen te hebben getrotseerd en deed aan feodale tijden denken. Poortwachters waren er echter niet te zien, alles ademde landelijke vrede en rust. Wie uit de bewoonde wereld kwam, kon nauwelijks geloven dat zo iets nog bestond in dit land waar het openbare leven beheerst werd door krijgsgehuil en overwinningsfanfares. De rust was zo intens dat ze beklemde.
Waar worden we heen gebracht? vroegen Wehner en de anderen zich af.
De kleine zusjes Hanf waren op hun knieën gaan zitten, hun neus tegen de ruit gedrukt. Net als de ouderen zeiden ze niets, bevangen door de weidsheid van de omgeving. Op deze dag en speciaal tijdens deze rit zagen ze meer groen dan ooit tevoren.
Na ongeveer een kwartier stopte de bus bij een soort kleine boswachterswoning. Er kwam een man uit die er uitzag als een houtvester of een jachtopziener, landelijk, sportief, gehard door weer en wind. Hij wisselde enige woorden met de chauffeur, die zich uit het raam van de cabine had gebogen. Voor het gezelschap waren het onverstaanbare dialectwoor
136