had vóór die tijd nog verschillende dingen te regelen. Wehner liet hem uit.
Hahne riep de gastvrouw, die in de keuken bezig was, een groet toe. 'We zien elkaar gauw weer.'
II
Zo'n klein groepje mensen kon men geen transport noemen.
Onder transport was men iets gaan verstaan waarmee onplezierige verschijnselen verbonden waren: gedrang, verwarring, commando's, slecht spoorwegmaterieel.
Hier echter kon men de indruk krijgen van een vakantiereisje, al waren de deelnemers minder opgewekt dan toeristen doorgaans zijn. Het waren mensen van uiteenlopende leeftijd, met een paar kinderen die, geïmponeerd door de uiterlijke rust der ouderen, onnatuurlijk stil waren.
De woningen die zij verlaten hadden, werden afgesloten en verzegeld. Hun bagage omvatte niet meer dan wat men met twee handen kon vervoeren.
Er was één oude man bij, bedaard, met heldere ogen, de door Wehner uitverkoren geestelijk leidsman van de groep. Niemand lette op deze groep, niets kenmerkte hen als uitzonderlijk. Wel reisden ze in gereserveerde coupés, maar als bevoorrechten, niet als gevangenen. Er was ook niemand die toezicht op hen hield. Wehner zelf, met de nodige instructies op zak, was hoofd van het gezelschap.
Het weer was goed, een schrale dag, maar zonnig, een geschikte dag voor een uitstapje.
De trein vertrok om negen uur drie, overeenkomstig de dienstregeling. Wehner vergeleek zijn horloge met de stationsklok. Alles klopte, alle wijzers wezen dezelfde tijd.
De kinderen van het echtpaar Hanf, meisjes van negen en zeven jaar, stonden met hun neus tegen de ruit gedrukt en maakten elkaar attent op de verrassingen die voorbijtrokken. Na de lange maanden in de stad bood iedere meter grond een verrassing. Het derde en laatste kind uit het gezelschap zat bij haar pleegmoeder op schoot en keek met een afwezige blik voor zich uit.
Allen kenden elkaar van naam, lotgenoten die elkaar in hun steeds kleiner wordende wereld wel eens tegengekomen
134